Botten malen voor de duivel; De opkomst van het griezelige kinderboek

Kinderen houden van griezelen. Toch is het enge boek pas de laatste jaren echt populair. Vroeger werden ouders gewaarschuwd voor de slechte invloed van sprookjes en voor de 'lust tot het verschrikkelijke'. Tegenwoordig bestaat er een griezelgenootschap en lezen kinderen over gordijnspoken, nachtgruwels en skeletten die een bus besturen.

Kinderboeken over vampiers, weerwolven, spoken, zombies en heksen, kortom verhalen die een beroep doen op het 'lekker eng'-gevoel, zijn bijzonder populair. Zo krijgt Paul van Loon, die op dit moment in dit genre het meest geliefd is, driehonderd enthousiaste brieven van kinderen per maand. Sommige kinderen schrijven hem met een zekere trots dat ze een nachtmerrie overhielden aan zijn boeken: 'Iemands vriendin had eng gedroomd van mijn boek. Toen wilde zij het ook meteen lezen.' In 1991 verscheen Van Loons bekendste boek De griezelbus, dat de griezelrage pas goed op gang bracht en dat inmiddels aan een tiende druk toe is. In het Griezelhandboek (1993) staat alles over de geschiedenis van wezens uit griezelliteratuur en hoe ze te bestrijden: 'Hang knoflook voor je raam en geen vampier durft binnen te komen'.

Wie jong is, houdt van veiligheid en duidelijkheid, maar ook van griezelen. Veel kinderen zoeken het expres op. Van Loon benadrukt dat juist griezelverhalen de angst van kinderen weg kunnen nemen: “Ik herinner me een brief van een meisje dat schreef dat ze altijd bang was voor dingen onder haar bed, totdat ze De griezelbus las. Je moet kinderen niet onderschatten; ze kennen de afspraak tussen de schrijver en de lezer. Ze weten dat het verhaal waar is zolang je leest, maar daarna niet meer.”

Volgens Van Loon dankt hij zijn populariteit niet aan een veranderde smaak van kinderen, maar het aanbod op de kinderboekenmarkt. Nog in 1992 merkte Joyce Kammer in de Haagsche Courant op dat er behalve sprookjes bijna niets voor kinderen te vinden was in het griezelgenre. In enkele jaren is dat veranderd; nu puilen de schappen in de kinderboekhandel ervan uit. Het geloof dat kinderboeken opvoedend moeten zijn of dat iets al gauw te angstaanjagend is, is nagenoeg verdwenen. Misschien zijn kinderen mondiger geworden en kunnen zij zelf wel aangeven of een verhaal te eng voor ze is.

Paul van Loon is niet de eerste die beweert dat griezelen een positieve uitwerking op kinderen kan hebben. In de laatste vijftig jaar van deze eeuw zijn veel psychologen (en schrijvers) daarvan overtuigd geraakt. Over enge sprookjes beweerde de beroemde Amerikaanse kinderpsychiater Bruno Bettelheim in The uses of enchantment; the meaning and importance of fairy tales (1976) dat ze kinderen helpen een vorm te vinden voor hun vage, nare angstgevoelens. Sprookjes zouden hulp kunnen bieden bij het oplossen van innerlijke problemen. Bettelheim, een echte Freudiaan, was er bijvoorbeeld van overtuigd dat bestaande negatieve gevoelens voor de moeder een uitweg vonden dankzij de boze stiefmoeders uit de verhalen. Van sprookjes leren kinderen dat het kwaad nu eenmaal een onderdeel is van het leven. Tot grote tevredenheid van de meeste kinderen overwint in het verhaal bovendien het goede, al zal er best eens iemand medelijden hebben met de heks in de oven.

Tovergodinnen

De discussie over wat kinderen geestelijk aankunnen speelde al in de achttiende eeuw. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, een genootschap dat werd opgericht in 1784 door verlichte burgers om het 'gewone volk' te verheffen, waarschuwde de ouders voor de slechte invloed van 'vertelseltjes, als van duimpje, van tovergodinnen, oude sprookkasteelen, enz.' Sprookjes zouden gevaarlijk zijn voor het opdoen van echte kennis.

Ook in de negentiende eeuw achtten velen het wenselijk dat sprookjes op zijn minst gekuist werden, van seksuele toespelingen, volkse elementen en een al te grote griezeligheid. A. Ising schreef in de inleiding bij zijn editie van de sprookjes van Moeder de Gans (1862) dat een 'overprikkeling van de verbeelding' met 'Kannibaalsche Wildemannen, schoonmoeders, bloeddorstige wolven en Blauwbaarden' vermeden diende te worden. De 'lust tot het verschrikkelijke', begreep hij, werd maar al te gauw bij kinderen opgewekt en leidde af van belangrijke zaken als godsvrucht en burgerzin.

In speciale afschrikkingssprookjes en -verhaaltjes werden de kinderen gewezen op de gevolgen van ongehoorzaamheid. In het schoolboekje Vader Jakob en zijne kindertjes van M. van Heyningen Bosch (jaar van verschijning onbekend) staat een macaber verhaal getiteld 'Jongens klimt niet in oude boomen.' Hoofdpersoon Willem klom toch en jaren later bij het rooien van de bomen op de stadswal werd zijn geraamte gevonden, ondersteboven in een holle boom. Men herkende hem aan de schoengespen. Het was hoogstwaarschijnlijk niet de bedoeling dat kinderen genoten van dit griezelgegeven, maar er in tegendeel geschrokken lering uit trokken.

De meeste negentiende-eeuwse kinderboeken ontbeerden alle spanning en speelden zich af in de saaie wereld van Brave Hendrik. Maar de leesvoorkeur van kinderen uit die tijd blijkt duidelijk uit de populariteit van de reeks volksboeken van J.J.A. Gouverneur (1809-1889). Niet alleen Woutertje Pieterse van Multatuli las met rode oren het deel Glorioso uit die reeks, die niet speciaal voor kinderen was bedoeld. Het waren goedkope boeken waarin spannende verhalen werden naverteld. Zo luidt het in Gouverneurs bewerking van de Faust: 'Overal lagen plassen bloed, stukken huid met hoofdhaar er aan (-) uitgerukte tanden en verscheurde, met bloed bevlekte kleren op de vloer.'

Tijdens de eerste helft van deze eeuw kon er door kinderen misschien nog het best gegriezeld worden in de kerk. Paul Biegel beschijft in de pas verschenen aflevering over angst van het literaire tijdschrift Raster hoe hij de illustraties in zijn kinderbijbel bestudeerde: 'Deze hel was het mooiste plaatje, (-) daarboven waren ook het vagevuur en de hemel afgebeeld - en had het vagevuur nog iets indringends met hoog oprijzende, minder hete gele vlammen, de hemel was van zo roze saaiheid dat ik er nauwelijks een herinnering aan heb overgehouden. Nee, die hel: ik stelde mij allerlevendigst voor hoe het zou voelen in die hete brij te staan met mijn blote piemeltje.'

Nu griezelen mag in kinderboeken hebben de meeste kinderboekenuitgeverijen griezelboeken in hun fonds, of zelfs een speciale griezelreeks. Zo verschijnen bij uitgeverij Kluitman de boeken van de onder pubers zeer geliefde Amerikaanse schrijver A.L. Stine in de speciale 'Kippevelserie'. Het is een soort griezelpulp, Bouquetreeksboekjes maar dan eng.

Meer de moeite waard zijn de griezelboeken van uitgeverij Zwijsen-Elzenga. Acht griezelauteurs van deze uitgeverij zijn verenigd in het geheime Griezelgenootschap. Voor lezers vanaf negen jaar is er sinds kort de Griezelclub. Wie lid wordt, ontvangt vier keer per jaar de Griezelclubkrant, 'boordevol verhalen, gedichten, boekbesprekingen, informatie over vampiers en weerwolven, filmnieuws, wedstrijden, puzzels en natuurlijk verrassingen.' Redacteur Richard van de Waarsenburg: “De griezelclub groeit als kool en heeft nu 1500 leden. Veel van die kinderen, vaak moeilijke lezers, zijn nu voor het eerst enthousiast over boeken. Ze worden binnengeleid in een lange literaire traditie.”

Littekens

Het Griezelgenootschap van de auteurs, waarover in de clubkrant summiere informatie wordt gegeven, spreekt zeer tot de verbeelding. Onder de titel 'Een tipje van de sluier' staat ondermeer dat de leden 'verplicht zijn te liegen, als ze over het GG ondervraagd worden' en dat het 'verboden is om littekens e.d. te tonen die tijdens de inwijding ontstaan zijn.' Mensen die menen dat het genootschap 'melig gedoe' is, worden ernstig gewaarschuwd. 'Door de eeuwen heen zijn leden van het GG uitgelachen, verfoeid, gebrandmerkt en soms kwamen ze zelfs op de brandstapel terecht,' maar het is onuitroeibaar.

Hoezeer de verhalen over het genootschap aanspreken, blijkt wel uit die keer dat de voorzitter van het genootschap, Paul van Loon, tijdens een bezoek aan een school vertelde over de Geheim Adviseur van het genootschap. 'Niemand weet wie hij precies is, maar hij controleert de auteurs,' legde hij uit. Op dat moment kwam er een onbekende de aula binnen. De kinderen stootten elkaar aan en deden hun uiterste best Van Loon te seinen dat hij zijn mond moest houden. De leerlingen wisten zeker dat dit nieuwe lid van de oudercommissie de Geheim Adviseur was.

Consequent speelt iedereen van uitgeverij Zwijsen het spel mee. “Ik kan niet zeggen of er ooit nog een auteur aan het genootschap zal worden toegevoegd”, zegt uitgever Richard van de Waarsenburg. “U begrijpt, dat is geheel in de macht van de Adviseur. Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk. Wie weet loopt er nog wel iemand rond die al vanaf zijn geboorte is voorbestemd.” Als ik hem vraag of hij de ogen van Van Loon, die steevast verborgen zijn achter een zwarte zonnebril, weleens heeft gezien, aarzelt hij met antwoorden.

Waaraan voldoet een goed griezelboek? Volgens Paul van Loon moet er vooral een suggestie van bedreiging zijn, “want een gesloten deur waarachter je van alles vermoedt is enger dan een open deur.” Maar er moet wel een monster in voorkomen, anders is het geen griezelboek. “Liefst een vampier, die doet het meest denken aan een gewoon mens en is dus het griezeligst.” De schijn dat er geen ontsnapping mogelijk is, moet tot het eind toe worden volgehouden. De spanning dient langzaam te worden opgebouwd en “een verrassende wending is nooit weg.” Heel belangrijk is voor Van Loon dat het einde niet ontnuchterend is: “Je neemt je lezers niet serieus als aan het eind blijkt dat alles maar een droom is of zoiets flauws.”

Van Loons stijl is helder en duidelijk: “Ik maak geen zinnen van vijfentwintig woorden en vermijd ingewikkelde beelden. Als het in mijn boek regent, dan regent het ook. Er vallen geen heldere parels uit de lucht.” Dat verklaart de populariteit van zijn werk voor een deel. Daarnaast zijn de hoofdpersonen heel herkenbaar, het zijn kinderen van nu, met walkmans en computers. In De griezelbus gaat een klas tijdens de kinderboekenweek op schoolreisje in een bus die bestuurd wordt door een skelet. In De Griezelbus 2 vindt een groepje kinderen op een autokerkhof de oude bus terug.

Humor is voor Van Loon heel belangrijk. Zijn laatste boek Nooit de buren bijten (1995) noemt hij 'grumor'. In het hoofdstuk over geesten in zijn Griezelhandboek staat na een verhandeling over Frankenstein opeens het kopje 'spookrijders'.

Piepende gymschoenen

Een groot deel van het griezelaanbod voor kinderen van onder de tien bestaat uit geestige boeken die niet echt eng zijn. Prentenboeken zijn meestal vooral geruststellend, zoals Maurice Sendaks klassiek geworden Max en de maximonsters (uitgeverij Lemniscaat, 8e druk 1993). Voor iets oudere kinderen die al zelf kunnen lezen zijn Roald Dahls beroemde boeken heel geschikt, zoals De griezels (meer vies dan eng), de Gruwelijke rijmen en De heksen. Eenzelfde soort humor biedt Bies van Edes Tijn en de huismonsters (Leopold, 1995) waarin een jongetje dankzij zijn piepende witte gymschoenen het hoofd weet te bieden aan de enkelkniep, het gordijnspook en de nachtgruwel. Iets enger, voor kinderen vanaf een jaar of negen, zijn de boeken van de Griezelgenootschapsschrijvers Tais Teng en Eddy C. Bertin.

Griezeliger zijn misschien de boeken waarin de angst niet expliciet belichaamd wordt door een vampier, een bezeten moordenaar of een weerwolf, maar waarin iets geheimzinnigs aan de hand is, iets wat niet helemaal te bevatten is. Boeken als Lieveling, boterbloem van Margriet Heymans, De vloek van de woestewolf van Paul Biegel en Annetje Lie in het holst van de nacht van Imme Dros. Of De torens van februari van Tonke Dragt, die je het hele boek door in de angst laat zitten dat je net als de hoofdpersoon door het uitspreken van een bepaald woord in een onbekende wereld terecht komt.

Het allerengste, allerspannendste kinderboek dat er bestaat is nog altijd Meester van de zwarte molen (Krabat) van Otfried Preussler (Lemniscaat, 12e druk 1990). Het vertelt een benauwend, prachtig, sprookjesachtig verhaal over een jongen die in zijn dromen geroepen wordt om te komen werken in een spookmolen en daar de zwarte kunst onderwezen krijgt. In de 'dode gang' van de molen worden 's nachts bij volle maan botten vermalen voor de duivel. Happend naar adem aangekomen bij het laatste hoofdstuk blijkt er voor Krabat en de andere jongens toch een ontsnapping mogelijk. Gelukkig, want maar weinig kinderen kunnen een slecht of open einde waarderen.

Natuurlijk verschilt de griezelbehoefte per mens. Niet alle volwassenen bezoeken voor hun plezier het 'Weekend of terror,' de horrormarathon die jaarlijks in de Amsterdamse bioscoop Tuschinski plaatsvindt, en niet alle kinderen horen graag griezelige verhalen. Sommigen echter blijven hun leven lang prettig eng dromen en missen als volwassene het geloof in griezelwezens meer dan het geloof in Sinterklaas. Zoals Hildebrandt, die in 1837 schreef: 'Spoken! O, (-) het spijt mij razend, dat er geen spoken zijn.' Alle genoemde titels zijn nog verkrijgbaar. Van het Griezelgenootschap verscheen onlangs een gemeenschappelijke verhalenbundel onder de titel Griezellige beesten, voor kinderen vanaf 9 jaar, Prijs ƒ 25,90. In het Griezelhandboek van Paul van Loon is een lijst opgenomen met griezelboeken voor kinderen.