Aandoenlijke voetballers

Henk Spaan: De zoon van Cruijff en andere gedichten. Uitg. L.J. Veen. 48 blz. ƒ 14,90.

Ergens halverwege het satirische sportprogramma Die 2: Nieuwe koeien verschijnt altijd het woord 'Gedicht' in beeld. Een weemoedig muziekje begint te klinken. Dan zien we in close-up het hoofd van een voetballer of trainer, gedwee in de camera kijkend. Achter hem staat Henk Spaan die een gedicht over de voetballer voordraagt. Als het vers afgelopen is, sneeuwt het beeld dicht en gaat het programma weer vrolijk verder. Dat is goed voor de voortgang, maar jammer van de gedichten. Ze zijn, voorzover zich dat in die ene minuut laat beoordelen, goed en geraffineerd genoeg om herlezen te worden.

Dat kan nu, in de bundel De zoon van Cruijff, waarin Henk Spaan 22 van zijn portretten opnam: twee elftallen gedichten, volgens een ouderwetse 5-3-2-verdeling verdeeld over aanvallers, middenvelders, verdedigers en keepers. Je zou verwachten dat een voetbaldichter het best uit de voeten kan met kleurrijke spelers en markante persoonlijkheden, maar Spaan bewijst dat dat niet zo hoeft te zijn. Hij is niet uit op de gemakkelijke pointe, de bekende anekdote of het voetbalgeintje. Hij heeft juist oog voor het kleine detail, de subtiele karaktertekening, de verrassende vergelijking en meer in het algemeen: voor het gewone dat in veel van deze ongewone voetballers schuil gaat. 'Het geheim van het gewone' zo luidt de titel van het gedicht over Ronald de Boer. 'Hem is de noodzaak van 't gewone' is een karakteristiek uit het gedicht over Edwin van der Sar, nog zo'n nuchtere wereldbekerkampioen. Ze worden geportretteerd in hun saaie grijsheid, waardoor er vanzelf iets aandoenlijks in sluipt: helden op zondag op het veld, maar door de week harken ze thuis braaf hun tuintje aan.

Aandoenlijkheid: dat is een gevoel dat in veel van deze gedichten aanwezig is, nog wel het meest in het vers waar de bundel zijn titel aan ontleent: over Jordi Cruijff, die treffend vergeleken wordt met Titus, de zoon van Rembrandt. Spaans gedichten zijn portretten, karakterschetsen, vluchtig van opzet, onnadrukkelijk van vormgeving. De dichter benadert zijn voetballers het liefst via een omweg, vaak de omweg van de vergelijking. 'Aan vergelijken kun je nauwelijks ontkomen', zegt hij in zijn gedicht over Peter Hoekstra, maar hij vervolgt verrassend: 'Nee, niet met Keizer en Moulijn / Alleman, Lambert Verdonk (-)/ Maar met een voorjaarlijks ontbotten van de bomen'. Waarna hij zich mooi verliest in een lofzang op het 'uitspruiten' van de natuur. Over de techniek en de passeerbewegingen van Hoekstra gaat het niet, maar zijn wezen (eeuwig talent, eeuwige lente) is er mooi mee gevangen. Dat Spaans poëzie gevoed wordt door zijn eigen nostalgie, weet hij zelf maar al te goed. Er hangt een waas van lichte verwondering, lichte ironie, lichte weemoed over deze bundel, rechtstreeks verbonden met de jonge dromerige voetballer die Spaan zelf was, in Slotermeer, in de jaren vijftig, toen het gras zoals bekend groener was dan ooit.

In voetbal gaat het om hoogtepunten, meer in het bijzonder om het hoogtepunt in de vorm van een doelpunt. In het denken, dromen en dichten erover kan het nu juist gaan om wat daartussen gebeurt: om 'het sentiment daartussen', zoals hij Nijhoff nazegt in zijn portret van Frank de Boer. Goede voetballers kunnen, zoals dat heet, een wedstrijd lezen. Spaan kan iets anders: hij leest hun ziel.