'Winkeltijden' beloven meer commotie / Winkelwet geen bedreiging zondagsrust

DEN HAAG, 30 NOV. Tijdens het Winkeltijden-debat, dat vanavond in de Tweede Kamer heropend wordt, zijn tot nog toe de nodige beschouwingen gewijd aan de zondagsrust. Er zijn echter aanwijzingen dat de winkelwet van minister Wijers (economische zaken) veel minder voor de zondagsheiliging zal betekenen dan voor de avondrust. Het bij 'paars' nauwelijks omstreden kabinetsvoorstel om winkels door de week de mogelijkheid te geven 's avonds tot tien uur open te zijn, lijkt meer te weeg te gaan brengen dan de politiek wel controversiële verruiming van de zondagsopening, zo leert een rondgang langs Kamers van Koophandel en provinciehoofdsteden.

Een eerste aanwijzing daarvoor is dat tot nu toe de grenzen van de avondopening in de praktijk meer worden verkend dan die van de zondagsopening. De acht koopzondagen die een gemeente nu al jaarlijks mag uitschrijven - volgens een PvdA-amendement dat vandaag goede kans maakte te worden aangenomen worden dat er twaalf - worden namelijk lang niet overal 'opgebruikt'.

“De vraag komt hier niet boven de vier of vijf zondagen uit”, aldus een woordvoerder van de gemeente Middelburg. Ook in Leeuwarden “maken de meeste winkeliers geen gebruik van de zondagsopening”, zo zegt men daar. In Lelystad is er dit jaar slechts één koopzondag: vlak voor kerst. Deze blijkt de populairste dag te zijn in alle provinciehoofdsteden. Verder zijn de winkels alleen open als een winkelcentrum bijvoorbeeld een jaarmarkt organiseert. Ook de periode dat bijvoorbeeld kledingzaken nieuwe collecties binnenkrijgen, zijn populair. “Zondagen worden bij hoge uitzondering door de hele stad benut”, zegt een woordvoerder van de gemeente Arnhem. Het gaat doorgaans om één winkelcentrum of -straat die op zondag een speciale activiteit organiseert. Hetzelfde is het geval in bijvoorbeeld Assen en Den Bosch.

Uit een onderzoekje dat het VVD-Kamerlid A. van Erp liet uitvoeren onder Kamers van Koophandel in het land blijkt dat vooral zeer grote plaatsen als Amsterdam de toegestane acht zondagen volledig 'opsouperen'. Ze maken tevens gebruik van het zogeheten 'toeristisch regime' dat nu al mogelijkheden biedt voor nog meer winkelzondagen. D66-Kamerlid J. Van Walsem, net als van Van Erp afkomstig uit het midden en kleinbedrijf, merkte gisteren op dat dit 'toeristisch regime' de wettelijke beperkingen voor de zondag die de PvdA wil aanbrengen sterk relativeert. “Een gemeente met een beetje windmolen kan zo'n 'regime' aanvragen”, aldus Van Walsem. De Democraat zou vanavond dan ook pleiten voor een evaluatie binnen enkele jaren van de werking van de nieuwe wet.

Kleinere gemeenten willen alleen ruimte voor zondagse opening tijdens een jaarmarkt of bloemencorso, zo blijkt verder uit het onderzoek van Van Erp. Dit neemt niet weg dat ook in deze categorie uitschieters naar boven te vinden zijn. Om de grote tapijt-en meubelhal in het Brabantse Best te laten concurreren met die in het Belgische Peer worden de acht koopzondagen meer dan 'opgebruikt'. Via bestuurlijke kruip- en sluipwegen - bekend als 'Brabantse gemoedelijkheidswetgeving' - heeft de gemeente Best het commerciële centrum mogelijkheden geboden om meer dan de acht toegestane zondagen open te zijn. Ook hier gaat het echter om een lokaal fenomeen.

Naar verwachting van het ministerie van Economische zaken zal ook door de week niet meteen een revolutie uitbreken als gevolg van de nieuwe wet. Toch zullen daar de veranderingen groter zijn dan op de zondag. Het ministerie wijst op voornemens van grootwinkelbedrijven als Albert Heijn die hebben aangekondigd de supermarkt in elk geval tot acht uur 's avonds te willen gaan openstellen.

Ook de vakbonden verwachten dat. Zij maken zich op voor een harde strijd over de gevolgen van de verruiming van de winkelopeningstijden voor de arbeidsvoorwaarden. Het eerste 'slachtoffer' is al gevallen: de onderhandelingen over een nieuwe CAO voor personeel in de supermarkten zijn kort geleden gestrand op onder meer de onregelmatigheidstoeslagen voor full-time personeel. Dat krijgt steeds meer concurrentie van (jonge) inval- en uitzendkrachten die 's avonds zullen worden ingezet. Gevolg is dat de werkgevers steeds meer bezuinigen op de onregelmatigheidstoeslagen voor het personeel in vaste dienst.