VOORTPLANTING

Droogbloeier, muurbloem, prikneus, franjezwam, en witte onschuld, nimfkruid en scharlei, brandende liefde, wilde cichorei

bruidssluier, levensboom en hanekam.

Venushaar, gulden roede en karwij, de brave hendrik en de tripmadam, de springkomkommer en de borstelvlam

vergeten blaasjeskruid en akelei.

Donsnachtschade en rimpelzaadwolfsmelk

de zwarte vlekziekte en moederkoorn

ooievaarsbek en basterdwederik.

Smak, kleinbloemdrakekop en dubbelkelk

engbloem, de twijfelachtige andoorn

de vreemde ereprijs, de bolderik.

Jan Kal (geb. 1946)

Plantencatalogi zijn blijkbaar geliefd in de Nederlandse poëzie. G.J. Resink stelde er een op, Plantentuin geheten, een alfabetisch geordend, woest beeldgedicht

Acacia's, alamanda's, azalea's

begonia's, belladonna's, bougainvillea's

en zo een hele bladzijde door, het is aangrijpend om te zien. Rutger Kopland bezwijkt er voor, in een gedicht uit Geduldig gereedschap van 1993 - daarin somt hij uit 'weemoedige' boeken 'waarin voor alles een woord is, een naam' op:

de Brassica, ook genoemd Kool, men denke aan

Bloemkool, Spruitjes, Savoye, ja zelfs Chinese

en het geslacht R., de Raphanus, waaronder

sativus, in de volksmond Radijs, de bekendste

en zelfs het lange vers Botanisch twistgesprek van Drs. P (met die dwingeland die er telkens Nee, ik wil een tuinkabouter met een mandje op zijn rug tussendoor roept) Aan de rechterkant zou italiaanse ossetong heel mooi staan, ijle dravik, zilte zegge, valse salie, kleine ruit

Galigaan, bepoederd zonneroosje, hederik, gevlekte scheerling, waterpunge, bromnos en vergeten blaasjeskruid

(jawel, hetzelfde vergeten blaasjeskruid als bij Jan Kal - wat heet vergeten?) zelfs dat exotische twistgesprek krijgt met zijn honderdvijfentwintig plantennamen ongewild iets van een eerbiedwaardig pakhuis. Een dadaïstische encyclopedie.

U begrijpt, het gaat me niet om de plantjes, het gaat me om de catalogisering. Om niets minder dan de herordening van het heelal. Om de mikrokosmos die tot beeld van de makrokosmos wordt en omgekeerd. Jan Kal ordent in bijgaand gedicht de woorden en de wereld aan de hand van erotische suggesties met een morbide ondertoon. Nimfkruid, bruidssluier, Venushaar. Nachtschade, drakekop, engbloem. Eros, Thanatos. Maar de voornaamste orde die hij aanbrengt is die van het sonnet, het rijm, het metrum, het gedicht. De plantjes gehoorzamen wel.

In een pas verschenen bundel (Het Schrijvershuis) kan hij hetzelfde doen met onbekende Belgen ('Vlaamse reuzen'):

Yves Slabbinck, Jozef Droogmans, Paula Loeckx

Adriaan Magerman, Renaat Ramon

Emiel van Hemeldonck, Jaak Stervelynck

kortom, het gedicht als depot, als repositorium van schijnbaar losse, schijnbaar absurde gegevens. Zulke gedichten zijn te vergelijken met de stukken voor de rariteitenkabinetten in de kunst, toen rariteit nog zeldzaam, vreemd betekende. Op zo'n stuk zag je honderden dingen die met de herfst te maken hadden, of met de muziek, of met noem-maar-op. Men vergaapte zich aan het kunststuk en men had het idee de wereld artificieel te beheersen. Vruchten van bestaande en niet-bestaande bomen vormden bij elkaar gezet een nieuwe vruchtboom, als gestapelde objecten in een lijst, als alfabetische lijsten in een boek, als naar kleur en formaat gesorteerde banden in een bibliotheek. In die geest ontstonden de Orbis pictus van Comenius, La maison d'un artiste van Edmond de Goncourt, La vie mode d'emploi van Georges Perec, om maar met een hinkstapsprong door de eeuwen te gaan. Inventarisaties van respectievelijk de wereld, een huis, een huizenblok, met steevast de suggestie van volledigheid. Alsof de schrijver er geen hand in had.

Intussen zijn zulke inventarissen geheel en al het werk van de schrijver. Hij is het die een greep uit de volledigheid heeft gedaan, ons intussen de volledigheid voorspiegelend. Grepen die uiteindelijk weer terechtkomen in verzamelmagazijnen, bloemlezingen genaamd - een Bildersaal der Literatur, een Museum der Poesie. Zo loopt alles uiteindelijk uit in volledigheid voorspiegelende voorspiegelingen van volledigheid.

We zijn hier in een heel andere hoek verzeild geraakt dan de poëzie als lyriek, van het gedicht als (een op zichzelf koude) lucifer bij ontvlambare emoties. Maar soms zie ik de poëzie - al was het maar omdat ontroering zo weinig werk kost - graag als fabriek en opslagplaats. Niet als beheersing van de binnenwereld, maar als beheer van de buitenwereld. Een zienswijze die niet alleenzaligmakend is. In de Nicolaas Beetsstraat in Amsterdam had je vroeger een koffiehuis en dat heette Hier is 't. Een blok verderop had je weer een koffiehuis en daar stond op de winkelruit Hier is 't ook. Met de poëzie zit dat net zo.