Tussen handwerken en doe-het-zelven; Langs de lapjesmarkt

Vroeger gebeurde er tussen Sinterklaas en Kerstmis vrijwel niets. Die rust van december had een functie. Als de oogst binnen was, het varken geslacht, het veld geploegd en de balans opgemaakt, gingen velen wat handwerken bij het knapperend haardvuur. Die periode is voorbij, maar is dat niet jammer? Want wat is er leuker dan zelf kleren te naaien van die ene bijzondere stof? Je gordijnen op te sieren met dat ene malle frutsel? Of een kunstig mozaïek te leggen op een lekgeprikte voetbal?

Van heinde en verre komen textielbeluste kopers op zaterdagochtend naar de Utrechtse Breedstraat. Vanaf acht uur tot klokslag een staan hier meer dan honderd kramen met stoffen, huishoudtextiel en fournituren. Wie zelf naait, kan op de Utrechtse lapjesmarkt letterlijk alles vinden: coupons in een duizelingwekkende hoeveelheid kleuren en maten, badstof, naaigaren, gordijnstoffen, knoopjes, ritsen, voering en vitrage. De markt is een begrip tot ver buiten de stad. Marktkooplieden staan dan ook in de rij voor een plek. Omdat er vrijwel niemand weggaat, duurt het soms wel vijf à zes jaar voordat gegadigden een vaste standplaats kunnen veroveren.

De Utrechtse lapjesmarkt is een van de oudste van het land. De eerste vermelding van een zaterdagse markt in 'oude kleederen' dateert al uit 1390, hoewel de Utrechtse gemeenteraad pas in 1597 een officiële vergunning gaf voor 'het vrye merckten van alrehande linnewaet'. Deze vond twee keer per jaar plaats 'op de Breedstraat voor het Begijnhof'. Wie rijk was, kon hier dure, uit verre landen geïmporteerde stoffen kopen. Wie arm was, moest het doen met de afdankertjes, die al of niet vermaakt, verknipt of opgelapt werden. Kleren waren toentertijd trouwens veel duurzamer dan tegenwoordig. Vaak ging textiel een groot deel van een mensenleven mee of werd als kostbaar bezit nagelaten aan familieleden. Juist aan de handel in die oude kledingstukken dankt de 'lapjesmarkt' zijn naam.

Tegenwoordig kampt dezelfde lapjesmarkt met de vluchtige modetrends, de dumping van inferieure materialen, en zelfs een beetje met de malaise in de textielbranche als totaliteit. Uit onderzoek dat de Vereniging van Ondernemers in de Textieldetailhandel in samenwerking met het Hoofdbedrijfschap Detailhandel uitvoerde, blijkt dat 43 procent van de omzet in kledingstoffen, wol en handwerken via de markt plaatsvindt. Het merendeel van de kopers is vrouwelijk, heeft een leeftijd tussen de 25 en 45 jaar, behoort tot een huishouden met kleine kinderen, en heeft geen werkkring buitenshuis. De meeste kopers doen aan zelfmaakmode uit het oogpunt van creativiteit en financieel voordeel, maar zo'n zeven procent is noodgedwongen bezig met naald en draad vanwege een afwijkende confectiemaat.

De hoogtijdagen van de zelfmaakmode lijken overigens voorbij. De teruggang in de vraag naar kledingstoffen komt niet alleen door de opmars van de spijkerbroek maar, zo luidt de klacht op de markt, ook door tijdgebrek van de consument. Omdat vrouwen zijn gaan werken, heet het, hebben zij minder tijd om thuis te naaien. Bovendien zijn de financiële voordelen van zelfmaak- en breimode ten opzichte van goedkope confectie de laatste jaren drastisch verminderd - vooral door de bijna permanente opruiming in de winkels. Ook op de markt kunnen de stoffenverkopers niet meer concurreren met de buurman die kleding voor een tientje verkoopt.

De hittegolf van de afgelopen twee zomers heeft het er allemaal niet beter op gemaakt en leidde tot een omzetdaling van meer dan 30 procent in de branche. In drie jaar nam het aantal markthandelaren in kledingstoffen af van zo'n 550 tot 438. Toch blijft de lapjesmarkt een belangrijke factor in de distributie van kledingstoffen. Er zijn in Nederland een behoorlijk aantal steden die traditioneel een omvangrijke stoffenmarkt hebben. Utrecht, Nijmegen, Eindhoven en Heerlen zijn daarvan goede voorbeelden; Noord-Brabant is zelfs een typische 'zelfmaakmode-provincie'.

Wordt er in het noorden des landes meer meters aan de rol verkocht, de markten van Eindhoven, Tilburg en Helmond staan bekend om hun goedkope afvallappen, weet marktkoopman Jan Spaarjans - in heel Brabant bekend als 'Jantje'. Zelf heeft hij lappen voor vijf gulden per meter (drie voor een tientje), 'daar kan geen noordelijke markt tegenop'. Jan Spaarmans is iemand met 'een lappentik', zoals hij zegt. Zijn strategie is duidelijk: de onderkant van de markt is zijn werkterrein, en hij betaalt de vijftien gulden per vierkante meter marktkosten om met succes in de slag te gaan met de Zeeman en de Wibra.

Zijn Brabantse collega Fons van der Vorst kiest juist de bovenkant van de markt voor zijn afzet. Hij handelt in de wat duurdere kwaliteitsstoffen (tot honderd gulden per meter). Van der Vorst komt uit een echt marktgeslacht. Zijn overgrootvader begon in 1907 met paard en wagen, zijn vader nam in 1936 het voortouw over en bezocht al geheel Zuid-Nederland met een enorm uitgebreid assortiment aan textiel. Nu staan behalve Van der Vorst zelf ook zijn vier broers en zijn zwager achter de kraam.

Marktkoopman zijn heeft tegenwoordig meer om het lijf dan een vlotte babbel en een vriendelijke kwinkslag. Van der Vorst behaalde in de avonduren zijn middenstandsdiploma en spreekt niet minder dan vijf talen, waaronder Frans en Chinees. Want waar de handel zit (zoals in HongKong, Indonesië en Italië), daar moet gepraat worden. Wat zijn stoffen betreft, houdt hij een scherp oog op de ontwikkelingen in de haute couture. Nu al heeft hij zijn waar voor de zomer ingeslagen: stoffen met stretch-kwaliteiten, rubberachtige materialen in zoete kleuren, en kurkachtige stof voor rokken.

De meeste stoffenhandelaren op de markt denken soms met enige weemoed terug aan vroeger. Het was geen vetpot, maar de romantiek van de markt wordt nu steeds meer vervangen door moderne bedrijfsvoering. Een steekproef leert dat de gemiddelde handelaar per week op vijf verschillende stoffenmarkten een standplaats heeft, 77 werkuren per week maakt, en een gemiddelde jaaromzet behaalt van circa 200.000 gulden (hoewel 40 procent onder de ton blijft). Een veelgehoorde klacht is overigens dat de markt tegenwoordig scherper wordt gecontroleerd dan de winkels, en dat de door de gemeentes uitgedeelde uitkeringen en subsidies voor beginners zonder diploma de verhoudingen verpesten.

Toch is het niet somberheid troef. Hoewel de moderne jeugd niet meer op school leert naaien en verstellen, hebben de marktkooplui hun hoop gevestigd op het feit dat de privé-naaischolen in Nederland floreren als nooit tevoren. Blijkbaar willen de mensen toch weer leren om met naald en draad om te gaan. Niet alleen om zelf kleding te maken, maar ook om zelf hun woning te decoreren met quilts, gordijnen en foulards. En ook daarvoor blijft op de markt je gulden een daalder waard.