Sitostanol in de margarine: nu nog beter voor hart- en bloedvaten

Een aantal verbindingen in planten bemoeilijken de opname van cholesterol door de darmwand. Het cholesterolgehalte in het bloed van een groep Finse proefpersonen daalde met ruim tien procent toen ze een jaar lang een margarine aten die verrijkt werd met een van die plantaardige verbindingen.

Van het plantaardige sterol sitostanol is al 40 jaar bekend dat het cholesterolgehalte erdoor wordt verlaagd. Smaak en substantie verhinderden tot nu toe een ruim gebruik. De stof komt in onze voeding voor in dezelfde hoeveelheid als cholesterol, ongeveer 200 tot 300 milligram per dag. Sterolen zoals sitostanol hebben net zo'n molecuulskelet als cholesterol. Bij de voedselopname door de darmwand is sitostanol in competitie met cholesterol. Kennelijk kan er maar een beperkte hoeveelheid sterolen worden opgenomen en als er naar verhouding veel sitostanol in het voedsel zit, komt er minder cholesterol binnen. Het cholesterol uit de voeding en de forse fractie cholesterol die onze galblaas met de gal in de darm loost, komt door sitostenol dus niet allemaal in het lichaam.

Aan de Finse studie deden 153 mensen met een licht verhoogd cholesterolgehalte mee. De placebogroep kreeg gewone margarine, maar 102 mensen kregen dagdoseringen met sitostenol verrijkte margarine. Per dag kregen ze zo 1,8 gram sitostenol, vijf- tot tienmaal de hoeveelheid die we normaal binnen krijgen. Het cholesterolgehalte van de sitostenol-eters daalde ruim tien procent. De daling was na ongeveer een half jaar bereikt, hield het verdere gebruiksjaar aan en verdween na afloop van het onderzoek.

De Finse onderzoekers zeggen met de sitostanol-verrijkte margarine een medicinaal voedselsupplement (een nutriceutical) te bieden dat, afgaand op de bereikte cholesterolverlaging, de kans op een hartaanval met een procent of 20 verlaagt. Dat effect moet nog wel worden bewezen, evenals de veiligheid van sitostenol bij massaal gebruik.

Is de beslissing tussen genezing en palliatie altijd iets wat van de tumor afhangt, of telt ook de patiënt mee? Hoe groot is eigenlijk de overlap tussen die twee therapievormen?