Op zoek naar extremen

Jarenlang wilden genenkloners niets liever dan genen klonen. De vernuftigste genconstructen rolden uit de reageerbuis. Vaak werden tientallen miljoenen aan onderzoeksgeld verspijkerd om te ontdekken dat het nèt niet helemaal wou lukken. De genetisch verbeterde gist bleek zich in het reactorvat om duistere redenen niet happy te voelen en muteerde binnen de kortste keren terug naar de oorspronkelijke 'wildvorm'.

kortom, het gedicht als depot, als repositorium van schijnbaar losse, schijnbaar absurde gegevens. Zulke gedichten zijn te vergelijken met de stukken voor de rariteitenkabinetten in de kunst, toen rariteit nog zeldzaam, vreemd betekende. Op zo'n stuk zag je honderden dingen die met de herfst te maken hadden, of met de muziek, of met noem-maar-op. Men vergaapte zich aan het kunststuk en men had het idee de wereld artificieel te beheersen. Vruchten van bestaande en niet-bestaande bomen vormden bij elkaar gezet een nieuwe vruchtboom, als gestapelde objecten in een lijst, als alfabetische lijsten in een boek, als naar kleur en formaat gesorteerde banden in een bibliotheek. In die geest ontstonden de Orbis pictus van Comenius, La maison d'un artiste van Edmond de Goncourt, La vie mode d'emploi van Georges Perec, om maar met een hinkstapsprong door de eeuwen te gaan. Inventarisaties van respectievelijk de wereld, een huis, een huizenblok, met steevast de suggestie van volledigheid. Alsof de schrijver er geen hand in had.