ONDER DE ZODEN

Stel, ik zou u vragen om een schema te tekenen van de belangrijkste elementen uw omgeving. Het onderwerp is vrij: uw tuin, uw huis, het gebouw waar u werkt of het park waar u vaak wandelt. Het hoeft ook niet mooi te zijn, een paar lijnen zijn voldoende. Bent u zover? Laten we dan eens kijken naar het resultaat.

Een groep imposante beuken, een fraai smeedijzeren hek, een huis met blauwe luiken, een adembenemend uitzicht vanaf uw bureau. Niet slecht! Als u goed kunt schetsen, dan is het u zelfs gelukt om drie dimensies te op het papier te toveren. Maar ik durf te voorspellen dat bijna alle tekeningen zich zullen beperken tot het bovengrondse deel van de werkelijkheid. Net als op een maquette zullen uw huis of uw tuin op een platte ondergrond neergezet zijn. Driedimensionaliteit strekt zich voor de meeste mensen alleen uit tot het direct zichtbare deel boven de aarde. In ons impliciete mentale beeld is de bodem, dat flinterdunne laagje van het aardoppervlak dat de plantaardige produktie en dus het leven in stand houdt, niet meer dan een streep. Of desnoods een donkere homogene laag. We zijn ons er nauwelijks van bewust dat ook die laag drie dimensies heeft, of zelfs vier, als we de tijd waarin allerlei bodemprocessen zich afspelen, mee tellen. Een bodem is immers de tijdsafhankelijke resultante van de effecten van klimaat, vegetatie en fauna op de ondergrond (het moedermateriaal). In de laatste decennia is overtuigend aangetoond dat bodems allesbehalve dood of inert zijn, maar een levend ecosysteem vormen. De moeilijkheid is natuurlijk dat een bodem per definitie in het duister verkeert. Tenzij de natuur zelf iets onthult, zoals bij een insnijding door een rivier of een aardverschuiving, of, in het klein bij een door een storm ontwortelde boom, zien we de bodem alleen na grote moeite, bijvoorbeeld als er een metro of een snelweg moet worden aangelegd. En dan nog maar even, want al heel gauw wordt het gezicht op dat fascinerende kleurverloop in de horizons en lagen weer onttrokken door massa's asfalt. Dat er onder dat oppervlak een fascinerende wereld schuil gaat, blijft meestal onzichtbaar. Wie een tuin heeft, steekt af en toe nog wel eens een spade in de grond en de vakantieganger heeft allicht oog voor het feit dat de bergpaadjes in Zuid-Spanje een andere kleur hebben dan in de Ardennen. Dat er verschil is tussen zand en klei is ook nog bekend, al kunnen weinig academici die niet toevallig een aardwetenschappelijk vak hebben gedaan, daar een concrete uitleg over geven. Veel verder gaat de bodemkundige belangstelling zelden.

De huidige verstedelijkte intellectueel heeft een uiterst beperkt beeld van datgene dat letterlijk de bodem van ons bestaan is. Hoeveel mensen realiseren zich dat het woord voor het genus Homo (zoals in onze soort H. sapiens) afgeleid is van het Latijnse humus, de organische stof in de bodem, en niet van het Grieks? Soms vrees ik dat de blindheid voor bodems ook iets te maken met de onbewuste gedachte aan Blut und Boden, aan dubieuze conservatieve en zelfs racistische stellingnames. In ieder geval zijn onze bewuste associaties met bodems zelden ecologisch en vooral down to earth. De gemiddelde krantenlezer denkt allereerst aan een bodem als vat vol griezelige chemicaliën, een ondergrondse chemische tijdbom, een stortplaats voor afval dat we het liefst zo snel mogelijk toedekken. Zoals in het Engelse 'soiled' besloten ligt, is een bodem vooral vies, ook al is hij niet chemisch vervuild. Nette kindertjes leren vandaag al jong dat je niet op de grond moet spelen. In onze maatschappij is de bodem vooral een ruimtelijk gebruiksvoorwerp met een economische waarde. Een bouwkavel, eventueel eerst te saneren. De kwestie is vooral: waarvoor gebruiken we hem? De keuze beperkt zich steeds meer tot doelen als woningbouw en infrastructuur, kassen of bedrijfsparken. De bodem wordt daarmee gereduceerd tot zijn puur fysische eigenschappen, niet meer dan een brok beton dat de nodige stevigheid aan menselijke constructies moet verlenen. Deze vernauwing van het begrip 'bodem' wordt mede veroorzaakt doordat weinig mensen nog direct van de bodem afhankelijk zijn. Wie zijn corn flakes uit de supermarkt haalt, weet niet niet wat de beste gronden zijn voor mais. Dat hier het gebruik van de bodem voor landbouw steeds meer ter discussie staat, zou overigens wel eens minder te maken kunnen hebben met bezorgdheid om milieu-effecten dan met ruimtegebrek en economische belangen. In die filosofie past ook het ontwerpen en aanleggen van nieuwe bodems, zoals onlangs nog werd gedemonstreerd in de plannen voor woningbouw voor de Zuidhollandse kust.

Hoewel door mensenhand aangelegde bodems en land ook elders bekend zijn, is er geen cultuur waar de maakbaarheid van de ondergrond al zo lang zo algemeen geaccepteerd is. Natuurlijk heeft een bodem economische waarde. Maar een economisch verantwoord bodemgebruik vereist grondig (!) inzicht in ecologische processen, willen we ook op de lange termijn de draagkracht van het land veilig stellen. In het licht van de voortschrijdende ecologisering van onze samenleving is het nuanceren van ons eenzijdige beeld van de bodem als gebruiksvoorwerp op zijn plaats. Zeker gezien de snelle wereldwijde degradatie van bodems die op menselijke schaal bijna altijd onomkeerbaar is. Meer dan een miljard hectare land is sinds de Tweede Wereldoorlog ernstig aangetast, door landbouw, begrazing en ontbossing. Ook is er steeds meer bewijs voor de cruciale rol die bodems spelen in processen die te maken hebben met wereldwijde klimaatverandering. Bodems bevatten bijvoorbeeld twee of misschien drie maal zoveel koolstof als de vegetatie op aarde. Bovendien vormen bodems een archief dat klimaat en menselijk ingrijpen uit het verleden weerspiegelt. Maar helaas raken maar weinig mensen hiervan onder de indruk. Een bodem als complex ecosysteem laat zich nu eenmaal nauwelijks in actie betrappen, en zeker niet buiten geavanceerde onderzoeksfaciliteiten zoals een rhizotron waarin bijvoorbeeld wortelgroei waarneembaar is. Bovendien spelen de meeste processen zich te langzaam af om waarneembaar te zijn. Daardoor spreken bodems niet snel tot de verbeelding. Een actiegroep 'Bodemwijzer' bestaat niet. Op de door het zeehondje aangevoerde schaal van publiek erkende schattigheid staan regenwormen en pissebedden - hoe kan het anders - op de onderste sport.

In dit land waar alles van klederdrachten tot poezie subsidieerbaar is, vormen bodems een blinde vlek. Er zijn in Nederland geen specifieke bodemkundige musea. Zelfs in de notitie Grote Biologische Collecties die de KNAWonlangs uitbracht, wordt niet over bodems gerept, hoewel niemand het biologische belang van bodems zal ontkennen. Alleen het ISRIC, het International Soil Reference and Information Center in Wageningen, bezit een wereldwijd bekende verzameling van lakprofielen met de bijbehorende achtergrond informatie, en op een paar andere plaatsen zijn enkele van dergelijke 'opgezette bodems' te bezichtigen. Toch is meer aandacht voor bodems mede in het licht van de discussie over biodiversiteit niet overbodig. Net zoals wij allerlei cultuuruitingen beschermen, zou het logisch zijn om te investeren in een volledige en actuele bodemkundige collectie die tevens veranderingen over de tijd laat zien, bijvoorbeeld door vergelijkingen van recente profielen met die van enkele decennia geleden. Maar veel belangrijker dan musea of wetenschappelijk onderzoek is dat de bodem een bewust onderdeel van onze verstedelijkte omgeving wordt. Kijk opnieuw om u heen, kijk naar beneden! Onder uw voeten strekt zich een adembenemend vergezicht uit, een landschap in negatief. Stel u een animatiefim voor waarbij vergeleken Jurassic Park een primitief stripboekje is. Het krioelt daar beneden van microscopisch en macroscopisch leven, van mieren en mijten en schimmels in een honderdjarig gevecht op leven en dood. Regenwater sijpelt langzaam naar beneden, of stort zich als een donderende waterval door scheuren in de grond. Wie eenmaal heeft geleerd dat je zo door de oppervlakte heen driedimensionaal naar de bodem kunt kijken, loopt nooit meer onverschillig over de grond.