'Niet dissident bedoeld'

Het openbare gedeelte van De Dissidente Muze vindt van vrijdag 1 t/m 3 dec plaats in De Balie in Amsterdam, van 16 uur tot middernacht. Letter to Ritsaert is te zien op 1 dec, 23 uur en op 3 dec om 22 uur. Inl: 020-6232904.

AMSTERDAM, 30 NOV. “Ik vind mezelf geen dissident. Een dissident is iemand die zijn land verlaat om politieke redenen”, zegt Peter Halász (53), een van de vele theatermakers uit het voormalige Oostblok die dit weekend in Amsterdam deelnemen aan het symposium De Dissidente Muze. In het Theater Instituut Nederland en De Balie zullen zij spreken over een niet onbelangrijke periode uit de toneelgeschiedenis: de jaren onder de communistische regimes.

Met het kritische theater speelden die regimes een grillig spelletje. Podiumkunstenaars die de ene dag nog zoetgehouden werden met prijzen en privileges konden de volgende dag een beroepsverbod krijgen. Wie geen zin had in die willekeur emigreerde - naar een veiliger binnenwereld of naar het buitenland.

Peter Halász koos voor de laatste uitwijkmogelijkheid. “Toen ik in 1976 Hongarije verliet kreeg ik weliswaar de status van politiek vluchteling, maar ik gedroeg me daar niet naar. In mijn ballingsoord New York waren mijn activiteiten totaal niet op Hongarije gericht. Ik schreef en regisseerde en speelde toneel en ik wist niet wat er in Hongarije aan de hand was. Ik had nooit gedacht dat ik nog eens het einde van het communisme zou meemaken. Dus vestigde ik me in het buitenland met het idee dat ik daar m'n hele verdere leven zou blijven.”

In New York leefde hij in communeverband, de kinderen voedde hij samen met andere leden van zijn Hongaarse theatergroep op en hij noemde die groep het Squat Theatre, een naam die zowel naar het kraken van een huis als naar het vestigen van een nederzetting verwijst. Hij had het druk met overleven. “Voor mij was Hongarije uit de ruimte en uit de tijd gewist. Pas toen ik voor dit symposium gevraagd werd, begon ik weer na te denken over hoe het geweest was om Hongarije te verlaten, hoe het was om over de aardbol te zwerven.” Zijn speciaal voor De Dissidente Muze gemaakte solovoorstelling over dat dissidente leven heet Letter to Ritsaert. Het is een dankbetuiging aan Ritsaert ten Cate, de man die in de jaren zeventig het avantgardistische Mickery-theater in Amsterdam bestierde.

“Ritsaert hielp ons Hongarije uit te komen; hij gaf ons een contract voor Mickery en zorgde ervoor dat we in Rotterdam geboekt werden voor ons project Pig, Child, Fire. Ritsaert was ook degene die me zo gek kreeg terug te gaan naar Hongarije, in 1991. Het was daar alsof de tijd vijftien jaar had stilgestaan. De Hongaarse media deden precies wat ze vroeger ook al hadden gedaan: ze dichtten mij een politieke betekenis toe.” En politieke betekenis heeft hij nooit gehad, meent hij. Ja, het Kassák Theatre, de groep waar later het Squat Theatre uit voortkwam, werd in 1972 verboden, “en toch bemoeiden wij ons niet met de politiek. Het werd verboden vanwege onze zogenaamde obsceniteit. Wij bedreven de liefde op het podium, meer niet! Er stond op het toneel een bed met een paars laken. En dat paarse laken begon dan opeens te bewegen. Er was een paar dat de liefde bedreef terwijl het op z'n kop stond. Er was een masturbatiescène met een oude vrouw in een kast. En er was een scène met konijnen, echte konijnen natuurlijk, wat anders?” Na de beschuldiging van obsceniteit, gerechtvaardigd of niet, ging het Kassák Theatre ondergronds.

Of liever gezegd: het schoot de hoogte in, naar de vijfde verdieping en hoger, want voortaan speelde de groep van Peter Halász uitsluitend in privé-flatjes. Het gezelschap had zich aan het systeem onttrokken, tot woede van de autoriteiten. De voorstellingen kregen nu helemáál het karakter van een samenzwering, waardoor de populariteit van Halász' groep (in die tijd ook wel het Flat of Room of Appartment Theatre genoemd) alleen maar steeg. “Wat wij deden was opwindend”, zegt Halász. “We deden geen afgezaagde Shakespeares, Tsjechovs of Brechts. We maakten zelf onze voorstellingen. Op het toneel wilden wij intens leven.” Natuurlijk stond de geheime politie op zulke avonden voor de ingang van het flatgebouw, maar dat deerde Halász niet. Vervelend werd het pas toen hij niet meer mocht schrijven. Zijn baantje bij de Hongaarse radio raakte hij op die manier kwijt. Dat was voor hem het teken om te vluchten: per vliegtuig, hoe toepasselijk. Het raamwerk van de voorstelling is dan ook een vliegreis en de eerste zinnen, in irregulier Engels luiden: I am a traveller. I belong to the caste of the flying Dutchman, of the Argonauts, of the wondering Jews.

“Reizen per vliegtuig”, licht hij toe, “is een toestand tussen droom en werkelijkheid. In die sfeer speelt ook mijn solo zich af. Er komt een soort droomfragment in voor waarin ik uit het raampje van het vliegtuig naar mijn Hongaarse vrienden kijk die mij staan uit te wuiven. Al die vrienden zijn behangen met fotocamera's. Dan zie ik dat de heren van de geheime politie ook allemaal een camera in de aanslag houden. Ze fotograferen mijn vrienden. En mijn vrienden schieten met hun camera's terug. Zulke bijzonder realistische dromen krijg je als je lang in het Oostblok geleefd hebt.”

Peter Halász is inmiddels al weer heel wat jaar een Amerikaans staatsburger. Een Amerikaan voelt hij zich niet, wel een Newyorker. Regelmatig reist hij naar Budapest, waar hij dan zo'n zestien uur per dag in het theater werkt. Veel collega's daar zijn sinds de val van de Muur hun publiek kwijt. De kick van het verbodene is eraf. De toegangsprijzen zijn gigantisch gestegen en er zijn de laatste jaren zoveel soorten vertier bij gekomen: video's, computerspelletjes, houseparty's... Toch heeft Halász in Hongarije een groter publiek dan ooit. “In de tijd van mijn afwezigheid is mijn legende gegroeid. Mijn voorstellingen krijgen veel aandacht. Daarom kan ik niet geloven dat het theater op sterven na dood is, zoals sommige doemdenkers roepen. Begrijp me goed: ik geloof niet dat je de wereld veranderen kunt en zeker niet met het theater. Maar toch gaat het theater door, altijd. Kijk maar naar mij.”