Na zessen in het 'getto'

ROTTERDAM. Na zessen, als de winkel van de Rotterdamse slager Frans Klein al ruim een half uur verduisterd is, branden in de zaak van zijn collega Mohammed om de hoek nog alle tl-buizen. Achter de geopende deur staan drie besnorde berber-mannen geanimeerd te praten voor de glazen toonbank met lamsvlees, schaapskop, schapeharten en kippepoten. Kratten met pepers, tomaten en geurige koriander staan voor de deur uitgestald. Mohammed verheugt zich op tien uur 's avonds als nieuwe sluitingstijd, want dan kan hij wat later beginnen. “Ik vind het leuk om lang open te blijven”, zegt hij. Voor autochtone kleine middenstanders is het loslaten van de winkelsluitingstijden een schrikbeeld. “Je hebt dan geen sociaal leven meer”, zegt Klein. “Ik werk al tachtig uur in de week”. Maar voor veel geïmmigreerde winkeliers is de winkel zelf het sociale leven. Zij bedienen hun klanten graag zo lang mogelijk. Het gezin, dat de Nederlandse middenstander tot vroeg sluiten dwingt, houdt de immigrantenonderneming juist langer open. Echtgenoot, kinderen en neven helpen gratis mee. Er hangen veel mensen rond en onderscheid tussen koper en verkoper is niet altijd te maken.

De Turkse bakker Zafer Firini op 't Hooidrift draait dag en nacht. Als de bedienden de zaak tegen zevenen verlaten, treedt een nieuwe nachtploeg aan om brood te bakken. De jonge mannen in de winkel, die behalve belangrijke woorden als “goelden”, “brood” of “croissant” nauwelijks Nederlands kennen, verheugen zich ook op de verruiming van de winkelsluitingswet, zeker tijdens de lange zomeravonden. Nu zoeken ze na sluiting aanspraak bij het Turkse koffiehuis Mamolya aan de overkant. Zo gaat het ook in Turkije, waar volgens de mevrouw die in het naburige supermarktje Özay de kassa bedient, de mensen 's avonds een “beetje eten, een beetje wandelen een beetje thee drinken en een beetje boodschappen doen”. Zij wisselt af met familieleden. Als de winkels pas om tien uur dicht hoeven, dan kan een uitkeringstrekker gratis in de winkel gaan staan.

Veel autochtone middenstanders winden zich op over de losse houding van hun nieuwe concurrenten. “Ze hebben geen kosten, want ze betalen geen belasting”, verzucht een slager aan de Grote Visserijstraat. Maar gordijnverkoper P. Herfkens op de Nieuwe Binnenweg is mild. Hij ziet in die nieuwe immigrantenwinkels grootvaders tijd terugkomen. Zijn gerenommeerde zaak werd in 1908 opgericht. Tijdens de crisistijd was zijn grootvader van negen uur 's morgens tot twaalf uur 's nachts beschikbaar. Omdat het gezin achter de winkel woonde, hoefde het werktempo niet hoog te liggen. Als opa zijn slaapje deed, kon zijn zoon of zijn vrouw de zaken even waarnemen. De klanten kwamen gespreid over de dag. Bij de nieuwe immigrantenmiddenstand gaat het eigenlijk net zo. “Wat wij in de jaren vijftig deden, doen zij nu”, zegt Herfkens temidden van zijn veelkleurige fluwelen gordijnstoffen. Hij wil het gesprek graag afronden, want het is zeven minuten voor half zes en hij gaat sluiten.

Met meer dan 50 procent allochtonen is het Nieuwe Westen van Rotterdam volgens het recente rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau 'Concentratie en segregatie' een potentieel getto. Maar deze donkere bakstenen binnenstadswijk lijkt in de verste verte niet op een Amerikaanse sloppenwijk. Er klinken geen schoten en de winkelpanden zijn niet dichtgespijkerd, maar dankzij de concentratie van etnische groepen bloeit er een nieuwe middenstand. De winkels verkopen ritueel geslacht vlees, brokaten lappen, Turkse pizza's, honinggebak, ronde broden en andere goederen die de etnische klantenkring nodig heeft. Tevens doen ze dienst als sociëteit. Het is niet eenzaam op straat. Volgens een sociaal werkster zijn sommige winkels “dekmantel” voor illegale activiteiten. “Daarom willen ze zo lang mogelijk open blijven”, zegt ze. De prijzen zijn soms verbazend laag. Slager Klein zag eens kalfslever voor vijf en een halve gulden per kilo bij een islamitische slager, terwijl de inkoopsprijs bij zijn weten minstens 17,50 gulden is. Oude en vermoeide ondernemers worden uitgekocht door de islamitische slager, de toko en het Surinaamse eethuisje. Slager Klein werd 55 jaar geleden in een huis naast zijn winkel in de Hooidrift geboren, maar het lijkt wel of hij is geëmigreerd. Hij is nu zelf een etnische slager die met zijn assortiment van sudderlapjes, cordon bleu en rookvlees een krimpende minderheid van Nederlandse origine bedient. Zijn klanten vergrijzen en wennen niet meer aan een latere winkelsluiting. Ze blijven 's avonds liever veilig thuis.

Het Rotterdamse Nieuwe Westen ondergaat het onvermijdelijke, harde sociale darwinisme van de binnenlandse globalisering. Immigranten springen haasje over op de belemmeringen van het Nederlandse corporatisme met toelatingsregels, geriefelijk voor oudgedienden, maar hard voor nieuwkomers. Werk is de beste taal- en integratiecursus. De immigranten dienen zichzelf positieve discriminatie toe.

Als de winkels tot tien uur open mogen blijven verwachten de middenstandsorganisaties een nieuwe golf faillissementen onder de kleine Nederlandse winkeliers met hun diploma's en hun vakkennis over elke appel die ze verkopen. Langere opening zal niet worden gecompenseerd door grotere honger van de klanten. Megaketens met laagbetaalde arbeidskrachten, onder wie veel allochtonen, zullen de zaken overnemen. Overdekte shopping malls groeien aan de rand van Rotterdam. Maar de binnenstad moet overeind worden gehouden door de ondernemende nieuwkomers. “De Turken en Marokkanen willen nog beginnen aan een zaak die de Nederlanders hebben weggegooid”, zegt Klein terwijl hij door de etalageruit kijkt naar zijn straat, waar vrouwen met hoofddoeken lopen.