Meer houvast in de mond

L. Boerrigter: Implant-retained mandibulair overdentures; clincial and psychosocial aspects. Proefschrift RU Groningen, September 1995. M. Geertman: Implant-retained mandibular overdentures; clinical evaluation, satisfaction and mastication. Proefschrift KU Nijmegen, October 1995.

Een vijfde deel van de Nederlandse bevolking boven de 16 jaar draagt een volledig kunstgebit. Ondanks de betere gebitten van de jeugd blijft dit nog wel even zo. Door de verandering van het ziekenfondspakket van vorig jaar, zijn er aanwijzingen dat mensen net als vroeger ertoe overgaan hun tanden te laten trekken.

Een groot aantal van de prothesedragers, naar schatting 10 tot 30 procent, is niet tevreden over dit hulpmiddel. De voornaamste klachten zijn: loszitten, pijn in de mond en moeilijk kunnen eten en spreken. Andere problemen zijn een gevoel van gehandicapt zijn, schaamte en vermijden van sociale contacten.

De belangrijkste oorzaak hiervan is het slinken van de kaakwallen vooral van de onderkaak. Deze kaakbotreductie is in de periode direct na het trekken het grootst, neemt daarna geleidelijk af, maar komt eigenlijk nooit tot stilstand. Soms is de slinking zo ernstig dat een goed functionerende prothese praktisch niet mogelijk is.

Naar de mogelijkheid om de kaakwal via operatieve weg te verhogen is veel onderzoek gedaan. Deze ingrijpende behandelingen leiden niet altijd tot een duurzaam resultaat. De laatste 15 jaar worden in toenemende mate tandheelkundige implantaten in de kaak aangebracht. Dit zijn kunstwortels in een schroef- of cilindervorm met een diameter van 3 à 4 mm en een lengte variërend van 8 tot 20 mm. Ze worden operatief door het tandvlees, soms onder de kin, in het kaakbot vastgezet.

Deze ingreep is in de afgelopen 25 jaar goed onderzocht en de resultaten zijn veelbelovend. Zelfs spectaculair, omdat mensen die jarenlang sukkelden met losse ondergebitten opeens weer houvast in hun mond krijgen.

Welk implantaat is het beste? Aanvankelijk werden vaste bruggen op de implantaten vervaardigd. Deze methode is nogal duur en levert niet altijd het gewenste resultaat op. Tegenwoordig gebruikt men daarom steeds meer kunstwortels waarop een overkappingsprothese wordt geplaatst die door knoppen of staafjes in de kaak wordt vastgehouden.

De resultaten van de implantaatbehandeling worden bepaald door de wijze van behandelen, de ervaring en de vaardigheden van de operateurs. Omdat er behoefte is aan meer inzicht in het meest effectieve systeem is onderzoek op dit gebied dringend gewenst. Maar dergelijk onderzoek is moeilijk uitvoerbaar. Vergelijking is immers alleen mogelijk wanneer verschillende implantaatsystemen onder dezelfde condities en met van te voren bepaalde uitgangspunten worden toegepast.

In Groningen en Nijmegen zijn onlangs twee tandartsen gepromoveerd op zo'n onderzoek. De behandelingen zijn verricht onder vergelijkbare behandelcondities. De patiënten werden door middel van loting verdeeld in diverse groepen met ieder 30 personen. Het is de bedoeling dat de patiënten jaren zullen worden gevolgd. In deze proefschriften wordt alleen verslag gedaan van de resultaten na een jaar prothese dragen. Daarbij werd ook de effectiviteit van de drie implantaatsystemen vergeleken. Die verschillen liggen niet alleen op chirurgisch terrein maar evenzeer op tandheelkundig vlak. Uiteindelijk werd een oplossing gevonden met behulp van de Delphi-methode waarbij aan experts werd gevraagd hun oordeel te geven over allerlei aspecten van het gebruik van implantaten. Na drie consultatie-rondes was er consensus voor de meeste vragen die in verband staan met de effectiviteit van de diverse implantaatsystemen.

Dit onderzoek is daarom zo uniek omdat hier behandelingen door het lot werden bepaald en niet door de patiënt of de behandelaar, een situatie die voor zover bekend nergens in de wereld in dit type onderzoek bestaat.

Uit de resultaten valt op te maken dat de patiënten die behandeld zijn met de door een implantaat gesteunde overkappingsprothese in het algemeen minder klachten hebben, tevredener zijn en beter zeggen te kunnen kauwen dan degenen die een conventioneel kunstgebit dragen. Van deze laatste groep zegt een derde tevreden te zijn, een derde reageert neutraal en de rest is ronduit ontevreden. De klinische resultaten wijzen erop dat de drie implantaatsystemen een betrouwbare basis bieden voor de overkappingsprothesen. Significante verschillen in het houvast van de kunstwortels werden niet geconstateerd. Een evaluatie van een jaar is erg kort en men kan dan ook nieuwsgierig zijn naar de resultaten na vijf jaar.

Hoewel de resultaten van de twee onderzoeken wat te vroeg zijn gepubliceerd - geen unicum in de huidige universitaire wereld waar de publicatiedwang tot een hoog goed is verheven - kan op basis van de hier verstrekte gegevens toch de vraag worden gesteld of tandartsen in de toekomst niet meer implantaat gedragen protheses aan hun patiënten moeten aanraden.