Het zeiltuig bij de Eyptenaren

De oudste afbeelding van een schip waarvan we zeker weten dat er een zeil op stond, is afkomstig uit Egypte en dateert van ongeveer 3200 jaar voor de jaartelling. Deze beschildering is aangebracht op een aardewerken kruik van ongeveer 60 cm hoogte die zich nu in het Brits Museum bevindt. Het zeil is kennelijk bevestigd aan zowel een boven- als een onderra. Dit dubbele ratuig is ook bekend van Egyptische afbeeldingen uit later tijden.

In het Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 129, te Amsterdam, loopt tot 10 maart 1996 de tentoonstelling 'Vechten, varen en verdienen' over scheepvaart, handel en oorlog in de Oudheid.

De positie van de mast geheel voor aan het schip maakt het waarschijnlijk dat deze tuigage alleen bedoeld was om er mee voor de wind te zeilen. Dat het zeil in hetzelfde vlak is geprojecteerd als het schip, betekent niet dat het in die stand permanent werd gebruikt, want dat is technisch niet goed voorstelbaar: het is een afbeeldingsconventie die bij de Egyptenaren gebruikelijk was.

Dat het zeil uitsluitend voor de wind werd gebruikt is inderdaad goed mogelijk. In het Egyptische Nijldal loopt de stroom van de rivier van zuid naar noord, terwijl de heersende wind juist in tegengestelde richting waait. Vóór de wind kon men dus stroomopwaarts varen en op de terugreis was het een kwestie van zich met de stroom mee laten drijven. Wel was het bij dat laatste gebruikelijk om aan een touw een steen over de bodem te slepen en door een drijfanker het schip te laten voorttrekken, zoals dit door Herodotus werd opgemerkt toen hij in Egypte reisde (circa 450 voor Chr.). Het schip werd door het drijfanker met de stroom mee getrokken, maar door de gesleepte steen en de tegenwind enigszins afgeremd. Het bezat dus snelheid ten opzichte van het water, dit was noodzakelijk om het te kunnen besturen.

Het verloop van de verdere ontwikkeling is niet geheel duidelijk, want de bekende afbeeldingen van zeilschepen die daar chronologisch op volgen dateren uit de tijd van de IVde dynastie (2625-2510), ruim vijfhonderd jaar later. De tuigage van die schepen is enigszins verschillend van de voorgaande; de mast staat meer naar achteren, op ongeveer een derde van de scheepslengte, en de onderra van het slanke hoge zeil lijkt op het boord te rusten. Dit laatste is weer een aanwijzing dat uitsluitend met achterlijke wind werd gezeild. Het is niet waarschijnlijk dat dit berust op een afbeeldingsconventie, want dergelijke dubbele razeilen met de onderra rustend op het boord kennen we van bootjes op het Titicaca-meer tussen Bolivia en Peru uit onze eigen tijd. De romp van deze vaartuigjes bestaat uit samengesnoerde rietbundels, zoals de oude Egyptische vaartuigen, en het zeil is een rietmat.

In Egypte lijkt een volgende ontwikkelingsfase in de VIde dynastie (2460-2200) te vallen: de onderra is op ongeveer hoofdhoogte draaibaar aan de mast bevestigd. Beide ra's zijn omhoog gebogen. De aanwezigheid van een lange onderra maakte dat ook een dergelijke tuigage niet erg geschikt was om met veel helling over één boord te varen, niet dus bij krachtige wind van opzij. Ook al was de onderra draaibaar, de wind moest bij een op zo'n wijze getuigd schip wel van achter blijven komen, maar de windrichting kon wat meer variëren dan voorheen. Zelfs voor de vaart op de Nijl was dit wel wenselijk, daar de benedenloop van de rivier ook kronkels heeft.

Men zou denken dat op zeeschepen die mogelijke variatie in de invallende windrichting ten opzichte van het schip in sterkere mate zou worden aangetroffen, maar de Egyptische zeeschepen zijn wat hun tuigage betreft, nauwelijks verschillend van rivierschepen. Voor zover dat na te gaan is, muntten de Egyptenaren dan ook niet uit als zeevaarders, hoewel er enkele Egyptische zeevaarten bekend zijn.

Daarvan is de expeditie die koningin Hatshepsut (1478-1458) liet uitrusten naar het land dat algemeen 'Poent' wordt genoemd (vermoedelijk was de naam in werkelijkheid 'Pwani') waarschijnlijk wel het bekendst geworden, maar zeeschepen vinden we al veel eerder afgebeeld in de graftempel van koning Sahure van de Vde dynastie (2510-2460). Helaas zijn deze laatste met gestreken mast afgebeeld, en met riemen die op het dolboord rusten; we weten dus niets van de tuigage van Sahure's schepen. Waarschijnlijk betrof het schepen voor de vaart op Syrië. Een kort bericht uit de regering van dezelfde koning vermeldt dat in zijn dertiende regeringsjaar schepen naar 'Pwani' werden gezonden, die met een grote hoeveelheid myrrhe terugkeerden.

De grotere bekendheid van de 'Pwani'-expeditie van koningin Hatshepsut ligt er waarschijnlijk aan dat ze die in fraaie reliëfs als een soort beeldverhaal heeft laten afbeelden in de tempel die zij te Deir el Bahri liet bouwen. De Egyptenaren haalden uit het land 'Pwani' niet alleen wierook, maar ook exotische dieren, ivoor, ebbenhout en goud. Het land 'Pwani' lag waarschijnlijk aan de kust van Eritrea in de buurt van Zula-baai, maar de schepen van de expeditie legden blijkbaar aan bij het daarvoor gelegen grote eiland Dahlak Kebir (aangeduid als 'Panis' op de Ptolemeïsche kaarten die aan het eind van de 15de eeuw werden gepubliceerd), waar men drinkwater kon krijgen en betrekkelijk veilig was voor roofovervallen door rondtrekkende nomaden.

Hatshepsuts vijf schepen waren uitgerust met een groot en laag razeil met onderra; dus net zoals de Egyptische rivierschepen niet bepaald geschikt om daar anders dan met achterlijke wind mee te zeilen. Het lijkt er op dat de schepen in de eerste plaats roeischepen waren, en dat de zeilen alleen maar gebruikt werden bij gunstige wind. We kunnen dan begrijpen dat op de reliëfs waar de schepen varend zijn afgebeeld, ze altijd worden geroeid, ook al staat het zeil bij, wat overigens niet altijd het geval is. Elk schip wordt door zo'n dertig riemen voortbewogen. Het traject dat afgelegd moest worden maakte dat roeien ook wel noodzakelijk, want op het laatste stuk van de reis naar 'Pwani' stond de noordenwind meestal niet meer door, en op de terugreis, die in het voorjaar moest plaats vinden om van de zuidenwind gebruik te kunnen maken, was de onbestendigheid van de wind een groot probleem; dat betekent dat ook dan vaak van de riemen gebruik gemaakt moest worden.

Om dit probleem te verlichten hadden de Egyptenaren een aantal karavaanwegen ingericht die van Koptos aan de Nijl naar havens aan de Rode Zee liepen op ongeveer halverwege het traject naar Suez. De schepen konden dan hun vracht per karavaan en vervolgens over de Nijl naar de hoofdstad zenden, terwijl de lege schepen - die men veel gemakkelijker kon roeien dan wanneer ze volgeladen waren - hun reis voortzetten naar Suez en over het oude Nijl-Suez-kanaal de hoofdstad bereikten.

Niet bekend

De Egyptenaren kenden ook nog een driehoekig razeil; we zien dat onder andere toegepast op de kleine, vermoedelijk zeer onzeewaardige bootjes, daterend uit de regeringsperiode van Amenophis II (1425-1401), waarmee kennelijk in het land 'Pwani' goederen werden aangevoerd van de vaste wal naar het eiland waar de Egyptische zeeschepen hadden aangelegd. In Egypte zelf was het ook bekend, zoals blijkt uit afbeeldingen uit ongeveer dezelfde tijd. Vermoedelijk is later uit dit type zeil door kanteling het driehoekige zogenaamde latijnzeil ontstaan, zoals op dezelfde wijze uit het oude Egyptische dubbele razeil zowel het moderne zeil van de Egyptische Dongola markab als ook het daar in principe aan gelijke Indonesische schuinstaande razeil layar tanyung zal zijn voortgekomen.

Met deze gekantelde zeilen kan 'aan de wind' worden gezeild, dat wil zeggen dat men een koers kan zeilen die een componente bezit die tegen de wind in is gericht. Wel moet daar ook de scheepsromp geschikt voor zijn. De ontwikkeling van het geschikte tuig èn de geschikte romp daarvoor moet veel later hebben plaatsgevonden; de oud-Egyptische zeiltuigage en de vorm van de scheepsromp hebben, voor zover bekend, in de eerste tweeduizend jaar van hun bestaan vrijwel geen evolutie doorgemaakt. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een voorbeeld van de uit de geschiedenis van de techniek bekende 'wet van de remmende voorsprong': omdat op de Nijl de omstandigheden gunstig waren voor zeilvaart is deze daar wel ontstaan, maar er was geen dringende behoefte aan verdere ontwikkeling.