Het groet-ritueel; Een kleine maar onmisbare bevestiging van ons bestaan

Wanneer in Amsterdam twee trams van een lijn elkaar tegenkomen heffen de bestuurders gewoonlijk de hand in een groet. Grappig als dezelfden dat twaalf keer per dag doen; en vertrouwenwekkend, want zij houden elkaar kennelijk in het oog, zij rijden niet in het wilde weg.

Er kunnen lijnen tussen zitten waar niet gegroet wordt, en bestuurders die bepaalde collega's overslaan. Op een afstand van een paar meter: dat is niet iets niet-doen, het is iets weigeren te doen.

Of hoeft het zo zwaar niet opgevat te worden? Op een kantoor wordt niet verwacht dat iemand die twaalf keer per dag een andere afdeling inloopt telkens groet; maar er is een verschil tussen binnen- en buitenleven. Een half uur geleden werden de trambestuurders gescheiden door tien kilometer stad, en nu zien zij elkaar terug: hallo, dag, hoe gaat het.

Ons groetritueel is eenvoudiger geworden dan het in de eerste helft van deze eeuw was. Toen waren er hoeden om af te nemen; nu zijn er alleen handen om op te steken.

Het belang van groeten is niet verminderd. “Je zag me zeker niet”, zegt iemand die voor niets gewuifd heeft de volgende dag lachend tegen de onopmerkzame bekende; maar de lach camoufleert een pijnlijke herinnering. Was ik niet de moeite waard om op te merken, en waarom dan niet? Om een persoonlijke grief, of op grond van mijn algemene nietigheid? “Je was zeker diep in gedachten!” Laten we hopen dat het zo zat.

De groet is een kleine maar onmisbare bevestiging van ons bestaan. Denk eens aan zo'n receptie waar alleen de jubilaris een oude relatie is en waar verder onbekende gasten met elkaar staan te babbelen. Wat te doen: meteen rechtsomkeert maken, of tenminste één handvol pinda's nemen? Goed, een handvol, en een vruchtensap; daarbij een vergenoegd masker opzetten en nergens aan denken.

Dan een tikje op je schouder: “Hoe gaat het met jou?” Het is A! Jaren niet gesproken, en nooit geprobeerd te spreken; maar hier verschijnt hij als geroepen.

De opzettelijke niet-groet doet zelfs even pijn wanneer hij voorzienbaar is. Ik was op pad door de stad en daar kwam een gezicht langs dat met een kleine geconcentreerde glimlach niet naar mij keek. Het was Janneke B! Vroeger veel met haar gelachen, nooit een kwaad woord, maar Jan, haar echtgenoot, neemt mij iets kwalijk en nu speelt zij dat ik niet besta.

Dat mag zo'n vrouw zomaar doen. Zij denkt mij weg.

Soms is niet-groeten moeilijker verklaarbaar. Waarom groeten sommige studenten op straat hun docenten niet hoewel zij honderduit met ze praten in werkgroepen? Het kan geen onvriendelijkheid zijn. Groeten hoort blijkbaar niet bij hun patroon.

Andere niet-groet: mensen van winkels, vaak zaken mee gedaan, die voor zich uit blijven kijken wanneer wij elkaar buiten tegenkomen. Is het beroepscode? Er zijn er die wel degelijk groeten. Was het de oude beroepscode misschien?

Naar verluidt zijn er stadsdelen waar nieuwkomers in een week zowat al hun omwonenden leren groeten. Er zijn ook stadsdelen waar het jaren kan duren.

Met de mensen bij ons op de hoek, vier deuren verder, wisselen wij eens in de week blikken van vreemdelingen. Als wij in Parijs in het gedrang liepen tussen de echte vreemdelingen en botsten tegen de mensen van onze hoek op zouden wij in het Frans 'Pardon' zeggen en uitwijken. Dit kan geen wegdenken genoemd worden. Wij hebben elkaar geneutraliseerd.

Met de mensen aan de overkant ligt het anders, daar moet de geleidelijke kennismaking jaren geleden ontspoord zijn. Niemand weet meer hoe, maar het kan dat een eerste groetpoging niet beantwoord werd en daarna een groet van de andere kant onopgemerkt is gebleven; dat heeft een lichte ergernis gewekt die verwaarloosd is en nooit goedgemaakt.

Wat geeft het! Maar zij lijken heel geschikte mensen, met leuke kinderen; en iedere keer als wij de deur uitkomen en zij toevallig ook, kijken wij niet wel en niet niet.

Groeten kan onvoldoende zijn. B had net het portier van zijn auto opengedaan, keek op en zag ons fietsen. “Hallo!...”, riep hij met een intonatie van verwachting. Antwoord alleen: “Dag”, met een kort handgebaar.

Geen afwijzende bedoeling. Het was een drukke dag en er was niets bijzonders mee te delen, daar kwam het door; nu is misschien de relatie verstoord.

Opbellen en uitleggen zou teveel zijn. Zulkle missers zijn kleinigheden; niettemin houden ze de gedachten minutenlang bezig.

Relaties zijn opgebouwd uit kleinigheden. Honderden kleinigheden per relatie; wie ze precies kon onderscheiden zou begrijpen waarom het tussen mensen goed gaat of niet.

Eenvoudigste oplossing voor het probleem van vervolg op groeten:

“Hoe gaat het?”

“Goed, en jou?”

“Ook goed”. Dit betekent alleen: “Ben je niet ziek, althans niet dodelijk ziek?” Verdere details kunnen achterwege blijven, en er is net iets meer uitgewisseld dan een groet.

De bekende variant “Alles goed?” klinkt ongemeend, met de schijn van belangstelling voor de onderdelen van 'alles'. In Engeland doen ze iets vergelijkbaars met het verschuiven van de nadruk in “How are you?” tot How are you”. Gelukkig hebben ze daar de uitwijkmogelijkheid naar “Nice day, isn't it!” “Isn't it lovely!”, die in Nederland ongebruikelijk is.

In beide gevallen zou de meest oprechte vorm van belangstelling de cijfers van het oude schoolrapport benutten: “Hoe gaat het; zesje?”

“Helaas: meer dan een vijf-en-een-half kan ik er niet van maken.”

Wie gaat peinzen over het theater van het dagelijks leven kan beginnen met zich een reeeks intonaties van “Dag” voor te stellen. Een volledig overzicht met stemvoorbeelden zou een hele cd opvullen. Eerste hoofdstuk: het korte horizontale 'dag', op een hoge toon (hartelijk maar misschien ongemeend), via het vriendelijke midden, het zakelijke midden en het onverschillige midden naar de lage intonatie. Hoofdstuk twee: het opstijgende en het afdalende 'dag', vaak tweedelig, 'da-ag', in allerlei tonen: hartelijk, verstrooid, liefkozend, compenserend (“blij dat ik van je af ben, maar ik doe toch aardig?”). Hoofdstuk drie, bijzondere toepassingen, zoals het 'dag' van gelieven die uit hun omhelzing terugkeren naar de wereld der buitenstaanders.

Vierde hoofdstuk: 'Dag' plus aanspreekvormen. Soms neutraal: Dag mevrouw, dag jongens; soms met een bijzondere sociale lading: 'Dag heer', zoals door dienstverleners gezegd wordt die 'Dag meneer' te ouderwets-onderdanig vinden - het 'heer' maakt er een scherts van.

'Dag allemaal!' - wat een gezellige samenkomst lijkt het te worden aan het begin, hoewel het eind van de dag misschien maar twee van de resterende aanwezigen de afscheidsgroet horen en beantwoorden.

'Dag oma!' - tien keer herhaald door een klein meisje dat niet meer op kan houden terwijl oma in de auto wuift en glimlacht. Dag oma! - Daaag Oooma!!

Appendix, alternatieven voor 'dag': hallo en hoi bij de verwelkoming; en bij het afscheid, tot ziens, dag en doei, baaibaai en sioe (naar het Engels), tsjau (naar het Italiaans), de mazzel (naar het Jiddisch).

Hoewel op het eerste gezicht een klein kunstje, valt goed groeten niet mee. 'Dag Jan!' - 'Dag!' - is daar iets mee mis? Jawel: de tweede spreker, Piet genaamd, voelt zich tekort gedaan en vermoedt dat Jan zijn naam vergeten is. Misschien ten onrechte. Opgave voor leerlingen van een groetklasje: geef tien mogelijke redenen waarom Jan geen 'Piet' toevoegde aan zijn 'dag' (bijvoorbeeld: Jan neemt nooit de formulering van een gespreksgenoot over; of: niet alleen weet hij Piets voornaam niet, hij heeft geen idee wie hij voor zich heeft).

Nog een opgave. In de schouwburg voordat de voorstelling begint zit A in het programma te lezen terwijl zijn vrouw naast hem staat te wuiven naar bekenden achter in de zaal die haar nog niet opgemerkt hebben. A vindt dat zulke uitbundigheid uit de toon valt tusen een bedaard afwachtend publiek; als zijn vrouw zegt: 'Nu kijken ze; wuif jij ook even,' schudt hij minimaal zijn hoofd en richt zijn aandacht op een advertentie in het programma. Zijn vrouw gaat door met gebaren en wijst blijkbaar op hem, want hij voelt haar vingertop midden op zijn schedel. Hij hoort de mensen op de rij vlak achter hem zachtjes lachen, en vermoedt dat hij verwikkeld begint te raken in een klucht. Hoe kan hij zich het aardigst redden: zittend wuiven, met een arm omhoog zonder om te kijken, zou dat iets zijn?

Derde opgave. Op een ontvangst ziet A zijn vakgenoot C, ouder en aanzienlijker dan hijzelf. Hij wil nu in de drukte niet met hem gaan praten, wel een groet wisselen, en hij houdt C die in gesprek is in de gaten. Ten slotte kijkt C zijn kant uit en steekt een joviale hand op. Zoveel had A niet verwacht; hij denkt dat het een groet aan iemand achter hem zou kunnen zijn. Nu moet hij terstond beslissen: eerst goed omkijken of er een ander staat en zo niet, C met een verlaat soortgelijk gebaar teruggroeten; of meteen een kleine compositie proberen van knik, glimlach en handgebaar die innemend genoeg zal zijn als wedergroet maar ook zal passen als C hem nog niet opgemerkt had en inderdaad een ander groette.

Nota bene: Vlotte mensen kunnen zich variaties op groeten veroorloven waarmee houterige mensen er verkrampt uitzien. A weet niet zeker wanneer hij vlot of houterig is.

Een groetklasje, wat een belasting! Kunnen wij die niet aan de natuur overlaten? Nee, de natuur weet het niet. Het zijn allemaal manieren van doen.