Gedragstherapie helpt bij onverklaarde lichamelijke klachten

Bij meer dan de helft van de mensen die door de huisarts wegens klachten verwezen worden naar een polikliniek interne geneeskunde, zijn er geen objectief aantoonbare lichamelijke afwijkingen te vinden. Dat is onbevredigend voor de internist en vooral voor de patiënt zelf natuurlijk. In Leiden zijn nu 40 van dergelijke mensen verder behandeld met gedragstherapie en het blijkt dat daarmee in 82% van de gevallen de klachten blijvend verdwijnen. Van een vergelijkbare controlegroep, die alleen een optimale medische behandeling kreeg, was na een jaar slechts 64% hersteld (British Medical Journal, 18 nov.).

De psychotherapeutische behandeling vond plaats in de polikliniek zelf. Al tijdens het eerste consult vertelde de internist iedere nieuwe patiënt dat hij, mochten de lichamelijke klachten onverklaarbaar zijn, zou worden uitgenodigd voor een gesprek met een psychiater. Blijkbaar schrokken maar weinigen daarvoor terug: het aantal patiënten met onverklaarde klachten dat bereid was mee te doen aan dit onderzoek was 81%.

Het uitgangspunt bij de psychotherapeutische behandeling was de interpretatie die de patiënt zelf van zijn klachten had. De bedoeling was de vicieuze cirkel te doorbreken tussen de klachten en de gevolgen daarvan voor het dagelijks leven van de patiënt.

Speckens geeft het voorbeeld van iemand met pijn op de borst die denkt dat hij iets aan zijn hart heeft. Daar wordt hij erg angstig door, wat hartkloppingen kan oproepen, hyperventilatie, spierspanningen of duizeligheid. Zijn lichamelijke toestand wordt dus door de interpretatie 'hartaanval' ongunstig beïnvloed en dat alles kan maken dat zo iemand snel naar de eerste hulp gaat om zich te laten onderzoeken. Dit kan ertoe leiden dat de klachten in stand blijven.

Tijdens de gedragstherapie ging men met zo'n patiënt traplopen om te kijken wat er gebeurde. Vaak namen klachten die met spanningen te maken hebben dan juist af, wat dan een argument vormde tegen de oorspronkelijke gedachte 'hartaanval'. De patiënt werd bijgebracht dat zijn interpretatie van de klachten gevolgen heeft. De therapeut probeerde de patient zo ver krijgen dat hij zelf op zoek ging en zijn eigen overtuiging ter discussie leerde stellen. Overigens denkt Speckens dat deze aanpak ook binnen het bereik ligt van de algemene arts. Die kan zijn aanpak richten op de ideeën van de patiënt zelf, in plaats van uit te gaan van zijn eigen opvattingen.

Speckens wijst er verder op dat de resultaten bij dit onderzoek vermoedelijk nog gunstiger zijn dan uit de cijfers blijkt. Om te voorkomen dat iedereen zou zeggen dat de betere resultaten bij de psychotherapie-groep, vergeleken met de medisch behandelde controlegroep, alleen maar te maken hebben met een tekortschietende medische zorg, werd deze voor de controlegroep optimaal gemaakt. De internisten kregen zelfs een speciale cursus in het omgaan met patiënten met onverklaarde klachten. Toch bleek psychotherapie nog aanzienlijk beter te werken.