Garnalen pellen goedkoop betaald

Twee Nederlandse ondernemingen, Klaas Puul uit Volendam en Heiploeg uit Zoutkamp, laten garnalen pellen in Marokko. Vele honderden vrouwen en meisjes werken er in speciaal opgerichte pellerijen. Want het arbeidsloon in Marokko is een tiende van dat in Nederland. “Als we dat in Nederland lieten doen, zou de garnalenvisserij ten dode zijn opgeschreven.”

In de vrijhaven van Tanger kijken Annie Schilder en koning Hassan II elkaar vrijmoedig in de ogen. Het statieportret van de Marokkaanse monarch tegenover een poster van de Volendamse zangeres. De laatste (ex-BZN) is van een wervende tekst voorzien: “Annie Schilder kiest voor Hollandse garnalen. U toch ook!” Beide beeltenissen hangen in een kantoor van Klaas Puul-Nasco Food, een joint venture tussen de Volendamse garnalenhandel Klaas Puul en Zoon BV en een ondernemer uit Koeweit, die hier samen een pellerij voor Hollandse garnalen stichtten. De produktieruimte is een reusachtige, betegelde zaal, waar circa duizend Marokkaanse meisjes en vrouwen de grijs-bruine beestjes uit hun pantserachtige huid trekken.

Het tafereel roept verwarde associaties op, een mengeling van science-fiction en het tijdperk van de eerste industriële revolutie. De meisjes zitten dicht opeen aan lange roestvrijstalen tafels, gekleed in witte jas, het weelderige haar in plastic mutsen verpakt en een kapje voor de mond. Hun rappe vingers zijn amper te volgen tussen de bakken 'ongepeld' en 'pit', zoals het delicate stukje vlees in vakkringen heet. Er wordt gewerkt op stukloon, per kilo gewicht, wat het hoge tempo verklaart. Controleuses lopen rond met een pincet om nog wat achterbleven sprieten te verwijderen. Er heerst dankzij airco een constante temperatuur van 15 graden Celsius onder steriele neonverlichting.

Een kilometer of zestig oostwaarts, op een industrietterrein bij de stad Tétouan, aan de voet van het Rifgebergte, ontvouwen zich soortgelijke beelden. Hier heeft marktleider Heiploeg uit Zoutkamp sinds 1993 een pelstation met 800 Marokkaanse meisjes in bedrijf. Er zijn plannen om de capaciteit te verdubbelen. Volgend jaar opent Van Belzen uit Arnemuiden een vestiging bij Tanger.

Met dit alles profiteert de Nederlandse garnalensector, net als de confectiebranche, van de lage lonen die in Marokko gelden, ruwweg een tiende van wat in Nederland wordt betaald. Er mag dan hoog worden opgegeven van de vingervlugheid die het Marokkaanse personeel ten toon spreidt, het ware motief achter de sprong over de Straat van Gibraltar is van puur commerciële aard. Daar winden de betrokken bedrijven trouwens geen doekjes om. “In Nederland”, zegt B. Meijer van Heiploeg, “zou een pelster 3.500 gulden per maand moeten verdienen, in Marokko is dat gemiddeld 350. Dat geeft aan loonkosten vier gulden per kilo produkt, waar nog eens ruim acht gulden bijkomt aan opslag en vervoer. Als we het pellen in Nederland lieten doen, zouden we drie keer zo duur uit zijn en dat is economisch eenvoudig uitgesloten. Dan zou onze firma, zeg maar gerust de hele Nederlandse garnalenvisserij, ten dode zijn opgeschreven.”

Omgekeerd heeft Marokko met zijn hoge werkloosheid belang bij de nieuwe bedrijvigheid. Elke arbeidsplaats, zowel voor mannen als vrouwen, is meegenomen. Gegadigden staan, ook volgens Marokkaanse autoriteiten, te dringen om een stoel aan de peltafel te bezetten. Diverse faciliteiten, waaronder het vrijwel gratis beschikbaar stellen van grond, moeten vestiging in het Noordafrikaanse land extra aantrekkelijk maken. Een voorbeeld van globaliserende economie, maar wel met bizarre trekjes. In het voetspoor van textiel en Parmaham worden Noordzeegarnalen duizenden kilometers per vrachtwagen door Europa gesleept om de consument te gerieven. Dat levert geen bijdrage aan een gezonder milieu. Bovendien rijst de vraag of het pellen niet alsnog in eigen land kan geschieden om Nederlandse werklozen aan de slag te krijgen. Het antwoord van de sector luidt ontkennend. R. Carp, directeur van het Nederlands Visbureau: “Voor de garnaal bestaan nu eenmaal geen Melkert-banen.”

De vlucht naar lage-lonenlanden - niet alleen Marokko, maar in het geval van Heiploeg ook Polen en de Oekraïne - heeft nog een andere achtergrond. Het pellen van garnalen was in Nederland vanouds een huisindustrie, voornamelijk uitgeoefend in vissersplaatsen en later ook in enkele grote steden. Het thuis bereiden van voedingsmiddelen voor commerciële doeleinden was weliswaar krachtens de Warenwet verboden, maar voor de garnalensector gold een uitzondering. Dat veranderde echter na de dramatische affaire-De Tolsteeg, de naam van een bejaardenoord in Utrecht, waar eind 1983 veertien bewoners overleden na het eten van een garnalencocktail die met de gevreesde shigella-bacil besmet bleek te zijn.

Echt opgehelderd is die affaire nooit. Het onomstotelijke bewijs dat de sterfte aan de schaaldiertjes viel toe te schrijven, is niet geleverd. Bovendien ging het in De Tolsteeg om Aziatische garnalen, zonder uitzondering in de betrokken landen zelf gepeld. Dat nam niet weg dat de roep om maatregelen tegen 'wantoestanden' bij dat werk zich uitstrekte over alle garnalen, ook die van Waddenzee en Noordzee, die op Nederlandse bodem hun omhulsel kwijtraakten. Eerst werd het thuispellen aan verscherpte hygiënische eisen onderworpen. Toen bleek dat deze bedrijvigheid daar niet aan voldeed, volgde medio 1990 een absoluut verbod. Sindsdien mogen garnalen nog slechts bedrijfsmatig in zogenaamde ateliers worden gepeld. Dat gebeurt in Nederland op zeer kleine schaal, met name in Stellendam, tegen hoge kosten.

Ook de garnalenpelmachine kon geen uitkomst bieden. In verscheidene vissersplaatsen, onder andere Volendam en Lauwersoog, staan die vernuftige apparaten opgesteld, maar hun capaciteit schiet ernstig te kort. Meijer van Heiploeg: “Het probleem van machinale verwerking is dat de garnalen allemaal even groot moeten zijn en dat is niet zo, er is nu eenmaal geen standaardformaat. Dat betekent dat er nog te veel sprieten, pootjes en resten van de chitinehuid in het eindprodukt zitten, wat een uitgebreide nacontrole vergt. Het gevolg is dat de garnalenprijs omhoog schiet en daarom speelt de pelmachine een ondergeschikte rol.”

Uitwijken naar het buitenland, in het bijzonder Marokko, leek het enige bruikbare alternatief dat restte. Klaas Puul uit Volendam was de eerste die het land van Hassan II met succes wist aan te boren, in 1992, en via zijn Koeweitse partner een plek in de fel begeerde zône franche van Tanger verwierf. Een ommuurd terrein van drie vierkante kilometer, waar geen douaneregels met bijbehorende heffingen gelden. Dat geeft een aanzienlijke kostenbesparing bij een investering van 4,6 miljoen gulden. Plaatselijk manager is voormalig transporteur W. Bökenkamp, die nog een extra voordeel van de vrijhaven noemt: “We lopen hier niet het risico dat er hasj bij de lading wordt gestopt.” Zijn opmerking slaat op de bloeiende export van zachte narcotica onder namen als Super en Golden Maroc, waarbij geen mogelijkheid tot grensoverschrijdend verkeer onbeproefd wordt gelaten.

Buiten het pelstation, dat nog slechts in de hoogte mag uitbreiden, staat een enorme, pas geloste container van Klaas Puul. De inhoud ligt binnen verspreid over de roestvrijstalen tafels en vormt het doelwit van tienduizend ranke vingers en duimen. Praten met de meisjes is vrijwel uitgesloten, omdat ze een mondkapje dragen en wegens hun beloning naar prestatie ook liever geen tijd vermorsen. Hier en daar willen slechts een paar donkere ogen naar de bezoeker opblikken. De bedrijvigheid staat zo te zien op hoog hygiënisch niveau met kommetjes steriel water, waar de pelsters regelmatig hun vingers in dopen en kleine borstels om nagels te verschonen. Bökenkamp wil het graag bevestigen: “Zuiverheid is ons devies” en hij toont ter adstructie een brief van de Marokkaanse veterinaire dienst, die Puul complimenteert met zijn bacteriewerende voorzieningen. Ook de Nederlandse autoriteiten zijn tevreden.

De meisjes kunnen bij Klaas Puul vanaf hun veertiende full-time terecht. Te jong voor Nederlandse begrippen, maar niet voor Marokkaanse. Bökenkamp: “Dat is hier wettelijk toegestaan en kijk eens naar de tapijtknoperijen in Fès. Daar werken ze al op hun achtste.” De arbeidstijden zijn flexibel, iedere vrouw kiest haar eigen programma. Een gemiddelde oogst aan 'pitten' (alles wordt zorgvuldig gewogen) levert volgens de manager al gauw 1.500 dirham per maand, het equivalent van 300 Hollandse guldens, dat hier als een soort minimumloon te boek staat. “De beste pelsters die bovendien de meeste uren maken, komen aan tachtig, negentig gulden per week en dat is meer dan hun vaders verdienen.”

Bij Heiploeg in Tétouan (400.000 inwoners) zijn de omstandigheden niet veel anders dan in Tanger, met dit verschil dat er vaste werktijden gelden en de pelsters per bus uit de stad worden opgehaald voor vervoer naar de plant, die zich op een afgelegen industrieterrein met gebrekkige infrastructuur bevindt. Er staan meer ondernemingen in voedings- en genotmiddelen: cola, tabak en paling. Het dochterbedrijf van de Zoutkampse garnalenhandel heet T.K. Fish, naar de initialen van directeur Tahar Khadly, een 41-jarige Marokkaan, die destijds het idee voor deze vestiging lanceerde.

Een man met een opmerkelijke achtergrond. Vijftien jaar geleden trok hij naar Nederland om de kost te verdienen als schrijfmachinemonteur. Dat lukte tot hij als gevolg van de computerisering werkloos raakte. Later kwam hij bij toeval in contact met de directie van Heiploeg, die juist naar nieuwe pelmogelijkheden zocht omdat het thuispellen was verboden. Deze ontmoeting resulteerde in de stichting van T.K. Fish, waarop Khadly (samen met zijn Groningse vrouw Carolien Bourgonje) remigreerde om de leiding op zich te nemen. Geen slechte keus, want als autochtoon doorgrondt hij de Arabische ziel, die hier in 800 lichamen woont, terwijl volgens insiders ook zijn zakelijk inzicht ten dienste van Heiploeg zonneklaar aan het licht is gekomen. “Wij zijn tevreden en zij zijn tevreden” vat Khadly de Nederlands-Marokkaanse garnalenconnectie samen. “Wat wil je nog meer?”

Zijn voldoening is des te groter nu het probleem van de lege 'doppen' is opgelost. Het afval dat na het pellen overblijft (tweederde van het totaalgewicht), werd aanvankelijk op het land gestort, maar dient sinds kort als veevoer of organische mest in rozenkwekerijen. “Anders zou Marokko op den duur bedolven raken onder de garnalendoppen”, zegt Khadly. Garnalen pellen is behalve een arbeidsintensief ook een waterslurpend bedrijf, maar aan die vloeistof heerst geen gebrek door de aanwezigheid van een serie natuurlijke bronnen. “Dat geeft Tétouan weer een voordeel boven Tanger, waar ze zoet water per schip moeten aanvoeren.”

Terwijl de fabriek wordt vervuld van Arabische arbeidsvitaminen, meldt zich Peter Adema, een van de Heiploeg-chauffeurs, met een nieuwe vracht ongepeld uit Zoutkamp. Hoe hij hier kwam, is bekend; hoe hij naar Nederland terug zal keren, is nog onduidelijk. Het 2.500 kilometer lange traject loopt naar de Spaanse havenstad Algeciras, waar Adema en zijn collega's de ferry naar Tanger (veertien kilometer) nemen. Eind mei werd de route echter gewijzigd na een incident in Algeciras, waar Spaanse vissers een wagen van Heiploeg plunderden en in brand staken: een heftige uiting van de visserij-oorlog tussen Marokko en de Europese Unie. Sindsdien liepen de transporten - ook die van Puul - over de Middellandse Zee van en naar naar Sète in Zuid-Frankrijk, wat een tijdverlies van ettelijke dagen inhield.

Zo raakte Adema ook nu weer in Tétouan, maar bij aankomst lijkt de lucht tussen Marokko en Europa opgeklaard, zodat de gangbare route weer in aanmerking komt. “Het wachten is op een fax uit Casablanca”, meldt de chauffeur, die een rit door Spanje verkiest boven de bootreis naar Sète. “Na een paar keer heb je het wel gezien, niets dan water. Alleen de dolfijnen die met je meezwemmen, dat is een leuk gezicht.” Adema moet er nog één keer aan geloven, met een retourlading 'pit'. Twee dagen later gaan de wagens als vanouds via Spanje.