Een geniale grimbeer

Beijerinck and the Delft School of microbiology. Pieter Bos (red.). Uitgave Delft University Press, ISBN 90-407-1212-3/CIP

Gedeeltelijke herdruk, oorspronkelijk gepubliceerd bij Marinus Nijhoff, Den Haag, 1940 onder de titel Martinus Willem Beijerinck, his life and his work. door G. van Iterson, L.E. Den Dooren de Jong en A.J. Kluyver.

Martinus Willem Beijerinck (1851-1931) was een van de eerste grote microbiologen. Hij leeft voort als de uitvinder van de verrijkte voedingsbodem, waarop je micro-organismen kweekt, en als ontdekker van tal van bacteriën, gisten, algen en ander klein grut. Ook als botanicus verrichtte hij baanbrekend werk. Zijn Verzamelde Geschriften beslaan zes dikke delen. Ter gelegenheid van de Beyerinck Centennial, van 10 tot 14 december a.s. in Den Haag, verschijnt een herdruk van zijn biografie, die oorspronkelijk uitkwam in het oorlogsjaar 1940 en daarna snel uit het zicht verdween. Dit is het verhaal van de zoon van een spoorwegbeambte, die zich ontpopte tot een wetenschappelijke reus.

Beijerinck kwam uit een vooraanstaande familie van civiel ingenieurs en officieren in het Oost-Indische leger. Zijn grootvader was Hoofdingenieur weg- en waterbouw en een oom hoogleraar in Delft. Zijn vader, Derk, was minder fortuinlijk: als baby van vijf maanden verloor hij zijn moeder, en zijn latere stiefmoeder verwaarloosde hem. Hij vocht in 1830 als vrijwilliger tegen de Belgen, waarna men met de erfenis van zijn moeder een tabakswinkeltje voor hem kocht in Amsterdam. Derk moet een opgewekt, intelligent, artistiek begaafd figuur zijn geweest, maar van handel had hij geen kaas gegeten en zijn vrouw, een domineesdochter uit Hoorn, evenmin. Het zaakje werd in 1853 wegens schulden verkocht. Twee jaar eerder, op 16 maart 1851, was Martinus geboren, als jongste van vier kinderen. Frederik, Henriëtte en Johanna waren toen 6, 4 en 2.

Er volgden armoedige jaren in tochtige huizen, waar de malaria regelmatig de kop opstak. Het gezin verhuisde voortdurend. Vader Derk vond een baantje bij het spoor en werkte vaak van half zeven 's ochtends tot half elf 's nachts. Tussen de bedrijven door leerde hij zijn kinderen lezen en schrijven - geld om ze naar school te sturen was er niet. Hij nam ze mee op lange wandelingen de natuur in en leerde ze Engels, Frans en een beetje Duits, en de eerste beginselen der kosmologie en fysica. Toen er een erfenisje van een tante kwam en de kinderen eindelijk konden schoolgaan, waren ze niet achter. De oudste broer zou landmeter worden bij het kadaster, de beide zusters leerden voor onderwijzeres. Martinus, de jongste, bezocht in Haarlem de lagere school en later de HBS.

Uit zijn zusters dagboek komt hij naar voren als een vriendelijke, zachtmoedige, verlegen jongen. Hij moet armoedig gekleed zijn gegaan en werd op school voortdurend gepest. Door de geldzorgen in zijn jeugd, in een familie die beneden haar stand leefde en met bijna niemand omging, werd Martinus Beijerinck tamelijk mensenschuw en melancholiek.

Wèl trok hij in zijn HBS-tijd met ouderen op. Zo maakte hij lange botanische wandelingen met F.W. van Eeden, de vader van de beroemde schrijver. Ook kwam hij graag thuis bij een klasgenoot, zoon van de eerste dijkgraaf van de nieuwe Anna Pawlowna Polder. Hier leerde hij de fameuze botanicus Hugo de Vries kennen. Gezamenlijk werden tal van excursies ondernomen om de plantengroei in de jonge polder te bestuderen. Ook werden botanische expedities naar het eiland Wieringen gemaakt. In 1866 deed Martinus mee aan een herbariumprijsvraag van de Hollandse Maatschappij van Landbouw. Zijn eerste werkstuk raakte beschimmeld en ook het tweede mislukte, maar met het derde won hij de eerste prijs, een zilveren medaille en de kostbare 'Flora van Nederland'.

In 1869 haalde hij met glans zijn HBS-diploma, maar inmiddels was het gezin opnieuw in geldzorgen geraakt. De vader, die met zijn gezondheid sukkelde, had maar een bescheiden pensioentje. Een universitaire studie botanie zat er voor de talentvolle Martinus helaas niet in. Met geld van een oom van moederszijde mocht hij technologie gaan studeren in Delft, een opleiding die maar drie jaar duurde.

In die dagen vertoonde een hoogleraar scheikunde zich zelden in het lab. Studenten hadden hooguit twee weken practicum per jaar. Beijerinck stilde zijn experimenteerhonger privé, samen met Van 't Hoff, de latere Nobelprijswinnaar scheikunde, met wie hij op kamers wonen. Ze werden vrienden voor het leven. Na de proef waarbij ze dode mollen opkookten om lijm uit de botten te bereiden zei de hospita het tweetal de huur op.

Zodra hij zijn bul had behaald, ging Martinus op zoek naar een baan. Hij kreeg een aanstelling als leraar in Indië, maar zakte voor de tropenkeuring wegens vermeende hartzwakte. Daarop schreef hij zich alsnog in Leiden in, samen met Van 't Hoff, na 'drie verloren jaren', zoals hij zelf zei. Toch had hij in Delft een gedegen theoretische ondergrond genoten en al acht maanden later behaalde hij in Leiden zijn kandidaatsexamen biologie, magna cum laude. Er volgden verschillende lerarenbaantjes, een beproeving voor de nerveuze Beijerinck. In 1876 kreeg hij een aanstelling als docent botanie in Wageningen. De studenten waren boerenzonen en rijke, maar niet al te slimme jongelieden, en ook met zijn directeur kon de driftige, eigenzinnige botanicus maar matig overweg. Overtuigd van zijn eigen intellectuele superioriteit moet hij een lastig persoon zijn geweest.

In elk geval kon hij zich nu met volle hartstocht aan zijn grote liefde wijden. Zijn eerste wetenschappelijke publikatie, 'über Pflanzengallen', baarde wereldwijd opzien en werd in Leiden als grondslag voor een proefschrift geaccepteerd. De promotieplechtigheid vond plaats op 14 juni 1877. In het zwart gekleed, met witte handschoenen kwam de promovendus bij het Academiegebouw voorgereden om aan te sluiten bij de stoet van hoogwaardigheidsbekleders. Klokslag vijf uur was de Latijnse toespraak van zijn promotor afgelopen. Beijerinck, die nooit Latijn geleerd had en er dus geen woord van verstond, boog te vroeg. Het gebruikelijke promotiediner bleef achterwege, omdat de jonge doctor het niet kon betalen.

In Wageningen volgde een periode van koortsachtige onder-zoeksactiviteit. Plantegallen, gomziekten, wortelknolletjes bij vlinderbloemigen en experimenten met hybride tarwes werden in een stortvloed van wetenschappelijke artikelen beschreven. In 1884 werd Beijerinck gekozen als lid van de Koninklijke Academie van Wetenschappen, waarvan hij later het voorzitterschap bekleedde.

Zijn beide zusters waren na de dood van hun vader in 1879 bij hem ingetrokken. Het drietal bewoonde in Wageningen een huis in de Dijkstraat. De oudste zus Henriëtte, inmiddels bevoegd tekenlerares, hielp haar broer vaak door prachtige botanische platen voor zijn colleges te maken. De jongste, Johanna, assisteerde hem bij de Engelse vertaling van zijn publikaties. Broer en zusters gingen in Wageningen met bijna niemand om. In haar dagboek beschrijft Henriëtte hoe ze op zondag gedrieën lange wandelingen maakte door de bossen of langs de uiterwaarden, waarbij Martinus urenlang geen mond opendeed.

Eind 1884 nam Beijerinck's loopbaan een verrassende wending. De vooruitstrevende directeur van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek (nu: Gist-brocades), Van Marken, zocht een industrieel microbioloog. In die dagen werkten bakkers nog met gist als afvalprodukt van de vele bierbrouwerijen in de stad, waar het drinken van bier de voorkeur had boven grachtwater. Deze brouwersgist was echter vaak besmet met allerhande bacteriën. Om dat probleem op te lossen zocht Van Marken een onderzoeker en de fameuze Hugo de Vries maakte hem attent op Martinus Beijerinck. Van Marken bood hem het in die dagen fabelachtige jaarsalaris van 4500 gulden, tweemaal zoveel als hij in Wageningen kreeg, plus een nieuw te bouwen eigen lab - in Wageningen een lang gekoesterde wensdroom - plus de toezegging dat hij alle wetenschappelijke vrijheid zou genieten.

In afwachting van de nieuwbouw reisde de onderzoeker naar het buitenland om zich te oriënteren bij de groten in het vak. Zo bezocht hij de befaamde mycoloog De Bary in Straatsburg en, verzot als Beijerinck was op wetenschappelijke discussies, raakte hij zo op dreef in zijn kritiek op de aanpak van zijn gastheer dat deze hem tenslotte geprikkeld het zwijgen oplegde. Over het werk van de gistpionier Hansen in Kopenhagen was Beijerinck's oordeel al even vernietigend. Daarna besloot hij het geplande bezoek aan Robert Koch in Berlijn maar te schrappen.

Eind 1885 was hij helemaal geïnstalleerd in zijn uitstekend uitgeruste nieuwe lab. Hij stortte zich op de studie van de pathogene bacteriën in de gist en op het mechanisme van de butylalcoholfermentatie, maar publiceerde ook over lichtgevende bacteriën, groene algen, amoeben en protozoa. Beijerincks eerste praktische suggestie aan zijn royale werkgever werd een fiasco. Hij adviseerde Van Marken om het fermentatieafval als varkensvoer te gebruiken, waarop de innovatieve directeur van de Gistfabriek een veearts in dienst nam en een stel varkens kocht. De dieren vraten zich enthousiast vol, maar kregen zwarte tanden van het spul, waarna ze onverkoopbaar bleken.

Hoewel de directie van de gistfabriek haar onderzoeker alle wetenschappelijke vrijheid liet, maakte Beijerinck een miserabele tijd door. Hij voelde zich schuldig over zijn hoge salaris en had voortdurend het idee tekort te schieten. Met de meeste collega's kon hij slecht overweg. Hij leefde in grote eenzaamheid en leed aan langdurige depressies. Zenuwziek als hij was, vatte hij de onschuldigste gebeurtenissen vaak overdreven zwaar op. Hij werd gekweld door heimwee naar zijn zusters, die in Wageningen waren achtergebleven en naar het geliefde uiterwaardenlandschap van de Rijn.

Kortaf en grimmig

In 1895 kreeg hij op voordracht van Van Marken en enkele andere industriëlen een benoeming als hoogleraar bacteriologie aan de Polytechnische School in Delft. Er werd een nieuw laboratorium voor Beijerinck gebouwd met aangrenzende hoogleraarswoning. Zijn beide zusters trokken bij hem in. Maar ook hier ging het leven niet van een leien dakje. Toen de studenten hun nieuwe hoogleraar de traditionele serenade kwamen brengen, hield de hypernerveuze Beijerinck een toespraak die zo kortaf en grimmig was, dat iedereen ervan schrok. Daarna was het gebruikelijke diner met collega-hoogleraren en hun dames, verzorgd door zijn zusters in het nieuwe huis, een pijnlijke aangelegenheid.

De wijze waarop Beijerinck benoemd was en zijn fraaie nieuwbouw wekten afgunst bij minder bedeelde collega's. Zelf bleef de microbioloog ontevreden over het feit dat de overheid stelselmatig meer geld uitgaf aan onderwijs dan aan onderzoek. Hij trok daaruit de verbluffende conclusie dat de minister van Binnenlandse Zaken hem niet mocht.

Hij werkte met grote bevlogenheid, waarbij hij nauw contact hield met collega's in binnen- en buitenland, en een voorliefde aan de dag legde voor simpele, elegante experimenten. Hij verrichtte pionierswerk op het terrein van de bacteriegenetica en -fysiologie en was zijn tijd vooruit door micro-organismen als modelsysteem voor genetisch onderzoek te gebruiken.

Hij isoleerde als eerste de bacteriën die voor de vorming van wortelknolletjes bij stikstofbindende planten zorgde. Hij isoleerde ook de eerste vrijlevende aerobe stikstofbindende bacteriën, ontdekte het proces van bacteriële sulfaatreductie en isoleerde de bijbehorende bacteriën. Hij ontdekte het nut van lichtgevende bacteriën voor biologisch onderzoek, hield zich bezig met melkzuurbacteriën, boterzuurbacteriën, denitrificerende bacteriën enzovoorts. Daarnaast verrichtte hij belangrijk fundamenteel werk op het gebied van de colloïdchemie en bleef hij geïnteresseerd in botanisch onderzoek, ondermeer op het terrein van groeihormonen en groeiremmers. Hij was ook de eerste die reincultures van algen verwierf en legde met zijn studie van het tabaksmozaiekvirus de grondslag voor de plantenvirologie. Zijn lab werd een Mekka voor industriële en toegepaste microbiologen. Typerend voor deze workaholic is, dat hij een van zijn grootste ontdekkingen, de bacterie Azotobacter chroococcum, deed op oudejaarsavond van het jaar 1900.

Als een student een scheutje water op de laboratoriumtafel morste, kon dat soms al een woedeuitbarsting uitlokken bij de hoogleraar, die de ongelukkige niet alleen placht te wijzen op al zijn vroegere stommiteiten, maar hem ook precies voorspiegelde welke blunders hij ongetwijfeld nog in de toekomst zou begaan. Het werkoverleg met een doctoraalstudent bestond voornamelijk uit soms urenlange monologen, waarbij Beijerinck een onafzienbare stroom nieuwe ideeën lanceerde en de meest verbluffende experimenten voorstelde. De student luisterde aanvankelijk ademloos toe, maar liet zijn hoofd geleidelijk steeds verder zakken, tot de hoogleraar hem eindelijk met rust liet om dan, fris als een hoentje, op zijn volgende slachtoffer af te stappen. En wee degene die een week later verzuimd had een van de vele voorgestelde proefjes uit te voeren.

Toen Beijerinck in 1921 op zijn zeventigste verjaardag formeel gedwongen werd zijn baan en hoogleraarswoning op te geven, toonde hij zich daarover zeer verbitterd. Onder zijn opvolger Albert Jan Kluyver, een charismatisch figuur die uitstekend met studenten overweg kon, kwam de Delftse School der Microbiologie tot volle bloei.

Beijerinck trok zich terug in een villa in Gorssel, waar hij tot op hoge leeftijd als een bezetene bleef rekenen aan de problematiek van de bladstand - die veel wegheeft van de kwadratuur van de cirkel. Hij zette nooit meer een voet in Delft. In zijn laatste levensjaren had hij alleen gezelschap van zijn stokdove zuster Henriëtte. Op 1 januari 1931 is hij overleden.