Pleidooi voor nieuwe natuur langs de Wadden

De Waddenzee en het land achter de zeedijk worden te veel als aparte gebieden beschouwd. De jubilerende Waddenvereniging wil dat daarin verandering komt.

LEEUWARDEN, 29 NOV. Plant stroken loofbomen langs de noordelijke Waddenkust. Zo luidde een van de vooraf aangekondigde “prikkelende visies” op het gisteren gehouden congres van de jubilerende Waddenvereniging. Oud-voorzitter R. Herngreen van de Waddenvereniging pleitte voor de aanleg van loofbos langs de Waddenkust. Met name in de noordelijke delen van de polders in het Dollardgebied is meer hout op zijn plaats, vindt hij. Loofbomen vormen “nieuwe natuur” dat vogelsoorten aantrekt. Bos is bovendien aantrekkelijk voor recreanten, het kan dienen als bescherming van kwetsbare teelten en ze passen prachtig in een oud cultuurlandschap.

Op het jaarlijks terugkerend regionaal Keuningcongres stond de toekomst van de Waddenkust centraal. Nu eens niet belicht vanuit de invalshoek van de natuurbeschermers alleen, maar ook vanuit de landbouw en de economie. Sectoren die doorgaans niet of nauwelijks samenwerken. En dat moet juist veranderen, vindt de Waddenvereneniging. De milieuorganisatie vindt het hoog tijd voor een “integrale” visie op het Waddenkustgebied.

Gezamenlijke initiatieven kunnen de leefbaarheid op dit noordelijk plattelandsdeel, met een hoge werkloosheid, versterken. Het congres was een eerste aanzet om te komen tot een samenhangende aanpak van het kuststreek. De problemen zijn er niet gering. Het kustgebied takelt af: het kampt met leegloop, boerenbedrijven die verdwijnen en cultuurhistorische rijkdommen die verloren gaan. Daardoor neemt de leefbaarheid op het platteland af. Aan de andere kant van de dijk, de grens tussen cultuur en natuur, kan een steeds smaller wordende Waddenzee zich niet op een natuurlijke manier ontwikkelen en kalven de kwelders af door een sterke stroming langs de kust. De vogels hebben onvoldoende plaats om te fourageren en uit te rusten. De sociaal-geograaf drs. J. Kleine, adviseur van onder meer de provincie Groningen, onderstreepte dat ook natuurbeschermers hun ogen niet kunnen sluiten voor de noodzakelijke economische ontwikkeling van het Waddengebied. De werkloosheid in Noord-Friesland en Oost-Groningen behoort tot de hoogste van het land en ondernemers zien het nog minder dan enkele jaren geleden als mogelijke vestigingsplaats voor hun bedrijf.

Hoewel diverse projecten met Europees geld worden opgezet (veelal in de sectoren recreatie en toerisme, landbouw, wonen) is het opvallend, aldus Kleine, dat er geen enkel verband wordt gelegd met de Waddenzee. “Ruimte, rust, landschap en natuur wordt overal aangeboden. Je moet dus iets bijzonders hebben om mensen naar je gebied te trekken. Dat kan de aanwezigheid van de Wadden zijn.” Niet voor niets beschouwen veel Randstedelingen de Veluwe, de Vogezen, de Friese meren en de Waddenzee als 'echte' natuurgebieden, zo verklaarde hij. Waddenkust, profileer je meer, vooral met je kilometerslange zeedijk! luidde zijn advies. “Het is verbazingwekkend dat er op de toeristische kaart van Friesland wel surfplaatsen staan aangegeven, maar het Wad en de zeedijk niet”, stelde hij. Zijn idee: promoot het land achter de zeedijk als ideale woonplek. Natuurbeschermers doen in zijn ogen nu nog veel te krampachtig over wonen aan het Wad. En dat terwijl er veel vraag zal zijn naar waddenwoningen, verzekert hij. “Wonen aan de Waddenkust, met veel ruimte, frisse lucht in een sociaal veilige omgeving zonder Randstaddrukte trekt ongetwijfeld veel Randstedelingen aan.”

De schaalvergroting in de landbouw eist ook aan de noordelijke Waddenkust zijn tol. Oude dijken, terpen en waterloopjes verdwijnen. Een fiks aantal agrariërs moest zijn bedrijf sluiten. In Oost-Groningen liggen vele hectares braak.

Schaalvergroting is geen oplossing voor boeren langs de Waddenkust, betoogde R. van Broekhuizen van de Landbouwuniversiteit Wageningen. “De kosten van bedrijfsvoering worden steeds hoger en daarmee graaft de boer zijn eigen graf.” De landbouw aan de Waddenkust moet zich juist onderscheiden op bestaande markten, beklemtoonde hij. Als voorbeeld gaf hij het “Flevosap” dat een slimme boer uit de Flevopolder onlangs met succes op de markt bracht. Hij perste onverkoopbaar fruit (hagelschade) op een tweedehands pers uit en reed zelf supermarkten langs. Er is al “Waddenbrood”, “Waddenzuivel” en zilte zeegroente, zoals zeekraal en zeeaster, maar er kan meer, zo hield Van Broekhuizen de ruim 100 aanwezigen op het congres voor. Een ander succesrijk voorbeeld hiervan is de “Oldambtster honing”. In het Oldambt zaaiden boeren op 200 hectare braakliggend land de paarskleurige “bemester” facelia in. De vereniging van bijenhouders zette er bijenkasten neer en duizenden potten honing werden verkocht. De VVV stippelde een autoroute uit langs de paarse velden. “Een prachtig idee”, aldus Kleine. “Ze hebben er niets aan verdiend, want dat mag niet met braakliggend land. De akkerbouwers kregen van de imkers elk een fles jenever. Dit jaar wordt er nog meer facelia ingezaaid.”