Partijgelden

POLITIEK IN NEDERLAND is een verre van dure aangelegenheid. Dat wil zeggen, als het wordt beperkt tot politieke partijen. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat de aanwezigheid van politieke partijen in het maatschappelijke debat omgekeerd evenredig is met de kosten die ermee zijn gemoeid. Want hoewel de gedachten van partijen vaak groots en wereldomvattend zijn, worden zij veelal bedacht dan wel uitgewerkt door een zeer beperkt aantal professionele medewerkers die huizen in bescheiden optrekjes. Politieke partijen draaien voor een belangrijk deel op vrijwilligers. Voor de financiering van hun activiteiten zijn zij vooral aangewezen op de contributies en vrijwillige bijdragen van hun leden.

Nu de meeste politieke partijen te maken hebben met teruglopende ledenaantallen, zitten zij met een probleem. De inkomsten lopen terug terwijl de werkzaamheden niet noemenswaardig verminderen. Partijen staan voor de vraag waar zij te rade moeten gaan voor aanvullende financiering: bij de markt of bij de overheid?

De markt betekent dat bedrijven activiteiten van partijen sponsoren of van giften voorzien. Het gebeurt in Nederland op zeer bescheiden schaal. Bedrijven staan hier huiverig tegenover, en voor politieke partijen geldt hetzelfde. Een voorwaarde is wel dat volledige openheid wordt betracht. Volgens afspraak bestaat die inderdaad.

IN DE NOTITIE Positie en subsidiëring politieke partijen die minister Dijkstal van binnenlandse zaken onlangs naar de voorzitters van de in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen heeft gestuurd, wordt niet ingegaan op sponsoring. Dit doet vermoeden dat de minister vertrouwt op het zelfregulerend vermogen van partijen. Maar in dit soort kwesties gaat het om meer dan vertrouwen. De overheid en daarmee minister Dijkstal komt wel volledig in beeld als het gaat om subsidiëring van politieke partijen. In totaal is hiermee een bedrag van jaarlijks nog geen tien miljoen gulden gemoeid. De overheid in Nederland heeft nauwelijks directe bemoeienis met politieke partijen. Niet voor niets is er een overgeleverde huiver om de positie van politieke partijen, zelfstandige schakel tussen burger en staat, wettelijk te regelen.

In de wijze waarop politieke partijen worden gesubsidieerd komt dit ook tot uitdrukking. Het betreft de politieke vormings- en scholingsactiviteiten en de politiek-wetenschappelijke instituten van de partijen. Maar als het aan minister Dijkstal ligt worden deze onderscheiden geldstromen straks opgenomen in een brede doeluitkering aan partijen. “De politieke partijen zijn mans genoeg om zelf het subsidiegeld op een verantwoorde wijze te verdelen over de verschillende subsidiabele activiteiten”, schrijft de minister in zijn notitite aan de partijen.

HET OMZETTEN VAN DE specifieke uitkeringen in een algemene donatie betekent een rechtstreekse subsidie aan partijen. Hiermee wordt een principiële grens gepasseerd. Te vrezen valt dat waar de partijen te maken hebben met minder inkomsten dit zal leiden tot het rechtstreeks subsidiëren van de steeds duurder wordende campagne-activiteiten. De wetenschappelijke instituten zullen daarvoor het gelag betalen. Dit is een hoge prijs.