Met hun 'mestoorlog' proberen de boeren de modernisering te saboteren

Het mest- en mineralenbeleid van de ministers Van Aartsen (landbouw) en De Boer (milieubeheer) wordt in toenemende mate onder vuur genomen. Het voorgestelde beleid verdient inderdaad géén schoonheidsprijs. Toch bevat het een harde kern die het verdedigen waard is. Dat is het geheel van ondubbelzinnige eindnormen en een ruim traject (tot 2008), zodat boeren naar de nieuwe situatie toe kunnen werken. De kritiek van boerenzijde richt zich niet zozeer op de onvolkomenheden die aan het voorgenomen besluit kleven, maar juist op deze harde kern. De normen worden irreëel genoemd. Dat is een absurd standpunt. En in combinatie met het voorgestelde 'alternatief' een onwaarachtig standpunt.

Uitgaande van forfaitaire normen (aannames die bijvoorbeeld de mestproduktie per dier betreffen) laat zich de totale mestproduktie in Nederland, zowel nu als straks, berekenen. Gevoegd bij het opnamevermogen van bodem en gewassen leidt dat tot een ogenschijnlijk nauwkeurige duiding van mestoverschotten.

Dergelijke rekensommen zijn echter hoogst bedriegelijk. Een complexe, heterogene en dynamische sector laat zich niet vangen met dergelijke aannames. Waar aannames een schijnprecisie bieden, daar blijken empirische data, bijvoorbeeld met betrekking tot de fosfaat-excretie per dier, bij uitstek variabel. Sterker nog: in de loop van de tijd kan die fosfaat-uitscheiding door een serie aanpassingen sterk worden teruggebracht.

Daarmee is slechts één aspect aangestipt. In werkelijkheid gaat het om honderden factoren en hun onderlinge wisselwerking: In welke mate zullen veehouders de kwaliteit van mest zó verbeteren, dat het gebruik aantrekkelijker wordt voor akkerbouwers? Hoe kan de verhouding tussen meststoffen en graslandproduktie worden verbeterd? Zal kleinschalige verwerking van mest slagen?

Tot zover de strikt technische en agronomische parameters. Met het voorgenomen mestbeleid wordt de grens tussen kennis en onwetendheid echter ook anderszins overschreden. Veel boeren houden mestvee aan, niet omdat zulks enig economisch nut vertegenwoordigt, maar omdat men dacht zo enige 'onderhandelingsruimte' te verwerven. Zal dat 'onderhandelingsvee' nu verdwijnen?

Meer algemeen gesteld: welke wisselwerking is te verwachten tussen micro- en macroniveau? Wat zullen de geaggreerde effecten zijn van uiteenlopende reacties? Het zijn allemaal vraagtekens. Tezamen componeren ze een zee van onzekerheden. Daarin zijn verschillende posities mogelijk.

De stellingname van Van Aartsen en De Boer is juist. De gedefinieerde eindnormen (25 kilogram fosfaat overschor per hectare en 180 kilogram stikstof) zijn realistisch en wel omdat ze in de loop van de rit reëel kunnen worden gemaakt. Een sterk (hoewel helaas onvoldoende benut) argument is dat nu al een niet onaanzienlijk aantal boeren produceert op een wijze die correspondeert met de eindnormen die voor 2008 zijn geformuleerd. Tornen aan de gestelde eindnormen impliceert dan ook dat ze alleen daardoor al minder 'realistisch' zullen worden.

Tegelijkertijd geldt dat in diverse situaties het bereiken van de normen moeilijk kan zijn. Maar om de normen daarom 'onhaalbaar' te noemen, zoals de actiecomités en ook de landelijke federatie van Land- en Tuinbouworganisaties (LTO) doen, is absurd. De LTO schraagt deze stellingname met het magische begrip van 'optimale landbouw'. Een 'optimale landbouw' zou niet doenlijk zijn bij overschotten lager dan 50 en 350 kilogram fosfaat en stikstof.

Ingaan op de aperte onjuistheid van dit argument (er zijn immers méér 'optima', elk met een eigen milieudruk) is niet zo interessant. Boeiender is dat deze argumentatie de 'uitweg' onthult die de LTO zich denkt. Dat is een versnelde sanering en daaraan gekoppeld een omvangrijke schaalvergroting op de resterende boerenbedrijven. Een doorgaande 'optimalisatie' volgens een enge, verouderde opvatting dus. Met een adequaat milieubeleid heeft dat alles weinig van doen.

Het milieubeleid draagt het definitieve einde in zich van het moderniseringsproject dat de Nederlandse land- en tuinbouw vormgaf in de jaren zestig, zeventig en tachtig. Niet alleen omdat de bedrijven die het meest het modernisatieproject hebben geïnternaliseerd, de 'optimale' bedrijven dus, door de bank genomen de hoogste milieudruk vertegenwoordigen. Bovenal is het zo dat deze bedrijven in toenemende mate de eertijds 'suboptimaal' geachte boerenbedrijven behoeven terwille van een doorgaande expansie.

De eerstgenoemde bedrijven moeten niet alleen quota en grond, maar ook in toenemende mate emissie-rechten en mestafzetruimte bij de andere bedrijven zoeken. Dat heeft de politiek-economische verhoudingen binnen de sector op de kop gezet. De vroegere 'winnaars', die zich ééns van de baten van de landbouwpolitieke ordening verzekerd wisten, moeten nu in toenemende mate voor een doorgaande expansie betalen.

En precies daar wringt de schoen. Waar de LTO op dit moment voor staat is om ondanks alles alsnog het vastgelopen modernisatieproject te continueren. Via de aangekondigde 'mestoorlog' tracht men vernieuwing te stoppen en een dood paard de toekomst in te schoppen.

Zo bepleit de LTO een opmerkelijke 'opschoning' van de varkenshouderijsector. Het aantal bedrijven moet dalen van 22.500 naar 7.000. De resterende bedrijven groeien sterk. Die expansie moet worden bekostigd met de publieke middelen die beschikbaar zijn voor het milieubeleid! Zou het zover komen, dan is daarmee een gigantische blunder ingebouwd.

Er zijn veel manieren om de landbouw schoner te maken. Om dat te doen via een geforceerde sanering en schaalvergroting is één van de minst aantrekkelijke en minst efficiënte manieren. Het navrante is ook dat een groot deel van de boeren en tuinders die nu de straat op gaan - mede omdat ze vrezen dat ze hun bedrijf kwijt raken - zo alsnog een dolkstoot krijgen van de eigen organisatie.

Het gevaar dat in de huidige situatie ligt besloten is dat van een klassieke ruil volgens de corporatische principes van weleer. De ministers doen wat af van de normen, waarna de LTO haar verzet laat varen teneinde met publieke middelen de beoogde 'optimalisering' door te zetten. Zulk een ruil is rampzalig, zowel in socio-economisch als in milieukundig opzicht. Het is te hopen dat noch de betrokken ministers, noch het parlement zich lenen voor deze koehandel.