Laat mij maar een vrijer krijgen

“Wat wil je dit jaar voor Sinterklaas hebben, lieverd?” Zelfs de meest moderne ouder zou vreemd opkijken wanneer zijn of haar tienerdochter meedeelde dat ze niets geeft om 'zoete koek of vijgen, of om kinderpoppengoed' en verzuchtte: “Laat mij maar een vrijer krijgen, die mijn minnelust voldoet.”

Of als er op haar verlanglijst had gestaan: “Sinter-Niclaes waarde vriendt, Geeft my doch wat my dient, Myn blommetje staat nu in zyn fleur, Achttien Jaartjes ben ik deur, Het valt myn te lang, Wilt myn verhooren, of ik moet smooren Inne myn Maegden-schoot.”

Vroeger lag dat anders, bovenstaande fragmenten uit zeventiende-eeuwse liedjes bewijzen het. Jonge, ongehuwde meisjes mochten het verlangen naar een vrijer onverbloemd uitspreken, tegenover Sint Nicolaas althans. Die was daar dan ook de aangewezen persoon voor. In het buitenland weten ze ook waarom. De heilige Nicolaas geldt in katholieke landen als de patroon van de ongehuwde jonge vrouw. In Frankrijk bijvoorbeeld wordt menig Sint Nicolaaskapel opgesierd met marmeren of zilveren votiefbordjes met daarop roerende teksten als: Dank, heilige Nicolaas voor mijn lieve verloofde.

Met de reformatie kwam er - in protestantse landen - een einde aan de verering van heiligen, ook in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Maar tegen de profane bijverschijnselen streden overheid en predikanten in ons land een verloren strijd. Net zoals het huiselijke Sinterklaasfeest rustig bleef voortbestaan, zo wist ook de traditie van Sint Nicolaas als patroon van de huwgrage maagd te overleven en wel in de vrolijke feestliedjes die bij allerlei gelegenheden werden gezongen. Uit de zeventiende en de achttiende eeuw zijn er talloze overgebleven. Als je het kinderstadium voorbij was, kwam je daar voor uit, zo eenvoudig was dat: “Ik zoek ander zoetigheyd, Als er in de suyker leyd... Ik verlang waer na een Broek”. Het feest van Sint Nicolaas was dè gelegenheid te werven en geworven te worden.

Nicolaas' zorg voor de jonge maagden is al heel oud en houdt verband met de bekende legende waarin de goede bisschop drie arme meisjes aan de man helpt door hun geld voor een bruidsschat te geven. Een huwelijkskandidaat vinden, dat was de zorg van Sint Nicolaas in die eeuwenoude legende en de liedteksten zijn dan ook minder shockerend dan ze op het eerste gezicht misschien lijken. Hoezeer er ook op de genoegens van de slaapkamer wordt gezinspeeld (Sinter Claes heeft vande nacht 't bruytje wat gegeven/ En gehouden Kater-jacht, Noyt geen beter leven), het ging tenslotte wel degelijk om het sluiten van een eerbaar huwelijk en om de daarbij behorende kinderzegen. Menig gedicht eindigt dan ook met de belofte dat het eerste kind naar Sint Nicolaas vernoemd zal worden: “De naam van het kind zal Klaasje zijn, Want door hem ben ik genezen van mijn smart en minnepijn.”

Ook jongemannen konden wel bij Sint Nicolaas terecht. Maar wat een verschil in benadering! Meisjes vroegen om een vrijer zonder meer, al wilden ze liever geen 'dronkaard of ligtemis'. Hun wensen waren meer op innerlijke dan op uiterlijke kwaliteiten gericht. De ideeën van de jongens gingen daar lijnrecht tegenin: móói moest ze wezen en ze aarzelden niet dienaangaande hun eisen te stellen. Die logen er niet om: “Ik wil, ik wil geen albedil, Geen trony vol van rimpels, Geen bocheljoentje, met een bril, Verslingerd op de pimpels (drank)” en “ook geen booze kop”. In ferme jongenstaal werd Sint Nicolaas erop gewezen dat hij niet moet denken er op een koopje van af te komen. Winkeldochters werden niet geaccepteerd: “'k Ben nooit bereid tot lelykheid, Die my doet klappertanden.”

Hoe vanzelfsprekend Sint Nicolaas' rol als bemiddelaar bij het vinden van een geliefde was en het Sint Nicolaasfeest als het geëigende moment daarvoor, blijkt ook uit literaire teksten. In 1798 schrijft Le Francq van Berckhey een lang verhalend gedicht met de titel: Sint Nicolaas Boer. Een stadse juffrouw heeft haar zinnen op een aantrekkelijke boer gezet maar zowel haar sekse als haar stand belemmeren haar deze gevoelens uit te spreken. Totdat het Sint Nicolaasfeest nadert, nu weet Grietje hoe ze haar Jaep kan strikken. Als de jonge boer op 6 december gaat kijken wat Sint Nicolaas hem gebracht heeft, ziet hij al van verre waar zijn schoen mee gevuld is: Grietje is er in gaan staan! Sint Nicolaas heeft zijn taak als huwelijksmakelaar naar beider tevredenheid volbracht. Goedheiligman betekent dan ook niets anders dan heilick ofwel huwelijks-man.

Wanneer precies de gewoonte ontstaan is een vrijer van speculaas als 'aangevertje' te gebruiken, is moeilijk te zeggen, feit is dat de koek al in de zeventiende eeuw als voorbode van de echte vrijer gold. Voor menig schroomvallige jongeman was het een uitkomst wanneer de liefde nog onuitgesproken was of zo pril dat van een persoonlijke presentatie geen sprake kon zijn. En het meisje dat op 5 december een speculaaspop voor haar deur vond, wist heel goed hoe laat het was. Wie een dezer dagen gedachteloos zijn tanden zet in een brok speculaas, doet er goed aan te beseffen dat hij met elke hap een stukje traditie wegwerkt.

In deze eeuw is de specifieke rol van Sint Nicolaas voor verliefden uitgespeeld. Geen enkel meisje verwacht meer juist op 5 december het verlossende woord te horen, speculaas-vrijers worden zonder aanzien des persoons gekocht. Aan een vrijage wordt in de verste verte niet meer gedacht.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, de behoefte aan een vrijplaats laat zich niet bedwingen. Voor minzieke maar schuchtere jeugd was zo'n gesanctioneerd moment een buitenkans. Wat je eigenlijk niet durfde, durfde je bij die gelegenheid. Misschien verklaart dat de onstuitbare opmars van Valentijnsdag. Overgewaaid uit Amerika, opgepikt door ondernemers en winkeliers, door ouderen als ongein afgedaan, wordt deze dag - zo blijkt uit de praktijk - vooral door jongeren benut. Ongestraft een kaartje sturen naar het meisje dat je leuk vindt, een stille aanbidder zou wel gek zijn als hij die kans niet aangreep. Maar Sint Nicolaas staat ondertussen met lege handen.