Kunsthandel Gebr. Douwes viert zijn 190-jarig bestaan

De jubileumtentoonstelling van kunsthandel Douwes is t/m 22 dec en van 3 t/m 19 jan te zien bij Gebr. Douwes Fine Art, Stadhouderskade 40, Amsterdam. Di t/m za 10-16u.

AMSTERDAM, 29 NOV. Kort voor de opening van de tentoonstelling heeft het landschap van Jacob van Ruysdael nog geen vaste plek gevonden. Met het zeventiende-eeuwse doek achteloos onder de arm geklemd, bespreekt Evert Douwes jr. de finesses van de inrichting met zijn broer (en compagnon) Erick. Hij zou boven de trap graag een 'blond' schilderij zien hangen: een kwalificatie die niet alleen met de kleur, maar ook met de uitstraling van het werk te maken heeft.

Er heerst een opgewonden stemming in het pand aan de Stadhouderskade. De grote verkooptentoonstelling waarmee het 190-jarig bestaan van kunsthandel Gebr. Douwes Fine Art gevierd wordt is klaar. De laatste keer dat er zo'n representatieve collectie oude meesters kon worden opgespaard dateert alweer van tien jaar terug. “Want het druist toch een beetje in tegen je handelsinstinct om een schilderij te bevriezen”, zegt Evert Douwes jr (1953). Een groot stilleven van Balthasar van der Ast is met 3,6 miljoen gulden het duurste werk op de tentoonstelling. Een wintergezichtje van Hendrick Averkamp komt met anderhalf miljoen op de tweede plaats. Ook zijn er stillevens van Willem Claesz. Heda, Abraham van Beijeren, Willem Kalf en Adriaen Coorte te zien.

Voor een kerkinterieur van Daniël de Blieck hoeft nèt geen miljoen te worden neergeteld. Vader Evert Douwes (1928) komt toch al zelden uit op ronde getallen. “Er zijn nu eenmaal duidelijke marges voor de prijzen van oude kunst.” Hij moet erkennen ook wel eens voor verrassingen te worden gesteld. Het record dat een piepklein schilderijtje van een kat onlangs op een veiling vestigde verbijstert hem. “Meer dan vier ton voor een kattekop van Saftleven! Daar hebben twee fanaten tegen elkaar op zitten bieden.”

Na meer dan een halve eeuw in de handel te hebben meegedraaid heeft Douwes sr. het grootste deel van zijn werkzaamheden aan zijn zoons overgedragen. Hij houdt zich nog bezig met het geven van lezingen, het afnemen van examens voor taxateurs en het op peil houden van de dia-collectie: ruim 40 duizend exemplaren. “Vooral veel detail-opnamen waaraan je het penseelschrift van de meester af kunt lezen.” Ook in het restauratieatelier bovenin de zaak is hij nog vaak te vinden. Het komt immers maar weinig voor dat er niets aan een schilderij hoeft te gebeuren. Douwes jr. “Veel schilderijen zijn in de loop der eeuwen slecht behandeld. Ze zijn vuil, of het vernis is vergeeld. Als je die laag drab weghaalt, kom je soms voor verrassingen te staan.” Kort geleden nog: een ijsgezicht was met enige reserve aan Witerus Vitringa toegeschreven. “Maar bij het schoonmaken kwam zowaar een signatuur tevoorschijn; toen wisten we het zeker.”

Bij het schoonmaken van een werk van Wouwerman constateerde Douwes sr. hoe de houding van een paard volledig veranderd was. “Halverwege de restauratie had het beest zes poten. Het paard staat een beetje door zijn poten gezakt te plassen. Kennelijk vond een vorige eigenaar dat niet zo kies en heeft hij het laten overschilderen.”

Hij heeft het vak weer geleerd van zíjn vader en herinnert zich de museumdirecteuren en grote collectionneurs die geregeld over de vloer kwamen nog goed. Onder de vooroorlogse clientèle bevond zich Han van Meegeren die een groot jachtstuk van Abraham Hondius kocht. De documentatie die de kunsthandel van dat schilderij bijhield, zou later een belangrijke rol spelen bij het ontmaskeren van Van Meegeren als vervalser. Op de röntgenfoto van een zogenaamde Vermeer was het (overschilderde) werk van Hondius nog duidelijk zichtbaar. De eigenaar van het werk, de vermaarde verzamelaar D.G. van Beuningen, kwam naar de kunsthandel om zich te laten overtuigen. Douwes: “We konden zelfs het reçu van de leverantie van die Hondius bij Van Meegeren nog tonen. Ik zie nòg voor me hoe Van Beuningen lijkbleek de zaak uitliep.”

Werden voor de oorlog nog wel eens schilderijen van Rembrandt of Frans Hals verhandeld, de spoeling is de laatste decennia wat dunner geworden. Er mogen op de huidige tentoonstelling dan nog veel grote namen te vinden zijn; de aandacht is niettemin al een tijdje verlegd naar de 'kleine' meesters. Soms moet daartoe de toeschrijving aan een bekende schilder worden herzien. De suggestie dat kunsthandelaren niet voorop zullen lopen bij het verhangen van de bordjes - de naam Van Ruysdael of Van Goyen levert immers meer op dan die van een nauwelijks bekende landschapschilder - wordt verontwaardigd van de hand gewezen. “De kunsthandel heeft juist een pioniersfunctie bij het in kaart brengen van kleine meesters. We móeten ook wel. De grote namen zijn steeds minder beschikbaar of onbetaalbaar. Sinds de jaren '50 is het aantal ontdekkingen steeds verder terug gelopen. Dat iemand nog een vroege Rembrandt als 'De doop van de Kamerling' ontdekt, zomaar in een huiskamer in Twente, moet als een uitzondering worden beschouwd.”

Dat Douwes jr. zijn vader als 'dad' aanspreekt heeft te maken met de vele jaren die beiden in Londen hebben doorgebracht. Senior werd er in 1928 geboren. Een jaar later maakte de beurskrach terugkeer naar de Amsterdamse thuisbasis noodzakelijk, maar kort na de Tweede Wereldoorlog zou opnieuw een vestiging in Londen worden geopend. Douwes jr. heeft in de afgelopen jaren ervaring opgedaan in het filiaal in Duke Street. “Zo houden we een voet tussen de deur van de internationale markt.”

Douwes sr. constateert voldaan dat de kloof tussen kunsthandel en universiteit de laatste tijd kleiner wordt. “We krijgen twee keer per jaar een groep kunstgeschiedenis studenten van de Vrije Universiteit over de vloer.” Nu alleen de buren nog: “We zijn pal naast het Rijksmuseum gevestigd, maar directeur Van Os heeft hier nog nooit een voet over de vloer gezet.”