Kobe leeft nog steeds met de aardbeving

KOBE, 29 NOV. Voor de voormalige Shimoyamate-lagere school in de Japanse stad Kobe staan vier oude wasmachines onder een in de wind klapperend zeil, met ernaast vier versleten fauteuils en twee elektrische straalkacheltjes. Eromheen is een kartonnen schuttinkje opgetrokken om de kille wind enigszins weg te houden. Het geheel vormt de gemeenschappelijke zithoek van een groep ontheemden die na de aardbeving van 17 januari hun intrek in de school hebben genomen.

Het is vier uur 's middags en Katsuhiko Yamashita komt net terug van zijn werk. 'Werk' wil zeggen: een klus van twee dagen, sloopwerk. Yamashita (57) handelde vroeger in kimono's, maar “de mensen geven nu geen geld meer uit aan dure kimono's”. Een half jaar lang kreeg hij een uitkering van de gemeente. Sinds augustus leeft hij van losse klussen. “Waar kom ik op mijn leeftijd nog aan de slag”, vraagt hij moedeloos. Zijn vrouw is naar haar ouders op het platteland en hij heeft geen idee wanneer ze terugkomt.

In het klaslokaal waar hij woont liggen dikke rieten matten op de vloer, de traditionele Japanse vloerbedekking. Van golfkarton zijn scheidingswanden van ongeveer een meter hoog gemaakt, hoog genoeg om anderen aan het zicht te onttrekken zodra we op de grond zitten, maar van privacy is geen sprake. De gemeente Kobe heeft inmiddels genoeg noodwoningen gebouwd, ruim 80.000, waarvan er zelfs een aantal leegstaat. Omdat de gemeente alleen openbare grond kan gebruiken zijn de noodwoningen grotendeels aan de rand van de stad gebouwd. Ruim 1.300 mensen verkiezen het leven in een school of sporthal in hun oude wijk boven een noodwoning.

Qua privacy maakt het maar weinig verschil. “Je hoort alles bij de buren. De stress hoopt zich op”, zegt mevrouw Nakayama. Met haar man en zoon woont ze in een noodwoning: een kamer van twee bij drie en een van drie bij drie meter. In de ingang is een klein aanrecht met gaspit, en een douche. “Maar het valt nog mee. Verderop wonen ze met z'n zessen in dezelfde ruimte.”

Een verschil is wel dat het wonen in een noodwoning een iets grotere afstand schept tot de tragedie van januari dan het verblijf in een van de oorspronkelijke opvangcentra. Op de rieten matten van de 'woonkamer' in het oude schoolgebouw zegt Hideaki Mori: “Na de ramp sliepen we hier terwijl boven ons op de eerste verdieping de lijken werden verzameld. Onze buren en naasten. Dood, terwijl ze wilden leven. De stad bleef trillen van de naschokken. Zou jij dan kunnen slapen? Die herinneringen komen terug nu het kouder wordt en de dag van de ramp weer nadert.”

Mori is 41 jaar en de 'leider' van de daklozen in de Shimoyamate-school. “Mensen die echt zijn getroffen door de ramp, zowel familie als huis hebben verloren, die hoor je niet klagen. Ze zijn murw geslagen door wat hen heeft getroffen. Het ergst is het voor de oudjes die geen goede band met hun kinderen hadden. Hun wereld is ingestort. Ze wonen hier als zwervers en hun kinderen komen niet langs. Waar heb je dan voor geleefd?”

Vanaf komende maand heeft Mori eindelijk weer een baan. Hij kan aan de slag bij een bouwbedrijf. “Tachtig procent van de aangeboden banen is in de sloop of de bouw.” Voor de aardbeving was hij eigenaar van een bar in het centrum van de stad, maar het pand is geheel verwoest. “Het is mijn droom opnieuw te beginnen maar ik denk niet dat dat lukt. Ik had die zaak twintig jaar. Het kost in Japan jaren om een klantenkring op te bouwen en als ik niet binnen een jaar of twee opnieuw begin zijn die klanten me vergeten. Maar waar haal ik het geld vandaan?”

Ondanks de grote frequentie van aardbevingen in Japan hebben maar weinig mensen een verzekering die schade door aardbevingen dekt, wegens de hoge premies. Daarnaast werd juist de stad Kobe als relatief veilig beschouwd. “Japan heeft geen hoog ontwikkeld systeem van sociale voorzieningen”, zegt een woordvoerder van de gemeente. “In Japan vangen familieleden elkaar op en daarnaast sparen we juist zoveel om ons voor dit soort rampen in te dekken.” Van giften die uit heel Japan na de ramp binnenstroomden kon de gemeente elk getroffen gezin een eenmalige uitkering van zo'n 4.000 gulden geven. Er zijn mensen in Kobe die hun huis hebben verloren maar nog steeds hun hypotheek moeten aflossen. “Bij betalingsproblemen is er de mogelijkheid dat de gemeente de rentelasten op zich neemt”, aldus de woordvoerder.

Kobe ziet er uit alsof de oorlog net voorbij is. Op sommige plaatsen ligt nog puin of staan bouwvallen die wachten op sloop. De treinen rijden weer, maar de verhoogde snelweg die door de stad slingert is op veel plaatsen onderbroken. De gemeente denkt drie jaar nodig te hebben om genoeg nieuwe woningen te bouwen, ruim 80.000. Tot die tijd zullen velen nog in de noodbouwsels moeten wonen.

In een koffieshop in een van de zwaarst getroffen wijken zitten drie vrouwen te praten. Fumiko Miyata, 80 jaar oud, heeft als gevolg van de ramp acht maanden in het ziekenhuis moeten liggen en is sinds kort in haar oude buurt teruggekeerd. “Ik droom nog steeds van de aardbeving. Of ik droom dat er een nieuwe aardbeving is geweest. Ik ben labiel, onrustig”, zegt ze, terwijl ze juist uitermate vastberaden overkomt. “Als er een kleine schok is, slaat de schrik me om het hart. Je realiseert je dat je nergens veilig bent. Dat niets zeker is. Het was net als in de oorlog, maar dan ken je tenminste de vijand.”

Even later komt een oude man binnen. Isamu Yoshii (80) bracht op het moment van de ramp om kwart voor zes zijn kranten rond. In een smalle steeg werd hij door de beving en vallend puin overvallen. Zijn been raakte beklemd. “Ik dacht dat het voorbij was.”

Negen jaar lang heeft Yoshii als militair op de slagvelden doorgebracht, van China tot Borneo. “De huidige generatie heeft nooit geleerd af te zien. Wat dat betreft is er iets veranderd in Kobe. Ten goede. Mensen helpen elkaar meer, staan meer voor elkaar open. Toch was ik ook positief verrast. Na de beving kwam ik langs een supermarkt. Alles lag op straat, maar niemand plunderde. En zoals jongeren bezig waren mensen te helpen: ik dacht slechter over jonge mensen.”

Yoshii woont nu in een noodwoning bij de haven, maar nog steeds brengt hij in zijn oude wijk de krant rond. “Na de aardbeving ben ik naar mijn zoon in Tokio gegaan, maar ik voelde me er niet thuis. Dat is mijn wereld niet. Ik hoor hier. Dat krantenwerk hoef ik niet per se voor het geld te doen, maar ik moet nu eenmaal iets om handen hebben.”

“Er zijn oude mensen geweest die de ondergang van hun wereld niet aankonden en een einde aan hun leven hebben gemaakt. Nu wordt er geschreven dat er niet genoeg opvang was. Maar als oude mensen de verandering niet aankunnen dan nemen ze hun eigen besluit. Ik zou niet willen dat iemand mij moedwillig in leven houdt. Vroegere generaties sneden hun buik open als het leven een ongunstige wending nam. Dat vind ik goed. Het leven komt zoals het komt. Je neemt besluiten zoals je het op dat moment passend vindt. Daar hoeft niet treurig over te worden gedaan.”