Honderd jaar film in Egypte: tapdans op oosterse muziek

Tentoonstelling: Egypte - cent ans de cinéma. Institut du monde arabe, 1 Rue des Fossés Saint Bernard, Parijs. Tot 25-2-96, di-zo.

Filmsterren die tap-dansen op Egyptische muziek, daar kijk je als Westers toeschouwer toch wel even van op. Schemerig is de ruimte in het Institut du monde arabe in Parijs, die met nachtclub-tafeltjes en stoeltjes is ingericht om fragmenten uit Egyptische showfilms uit de jaren vijftig te zien. Een uitnodiging tot exotiek, denk je, maar merkwaardig genoeg bieden juist deze films een Westerse aanblik. Zelfs de grote zangeres Uum Kaltsoum ziet er in de jaren vijftig nog het meest uit als Audrey Hepburn. Nadrukkelijke verwestersing, het is een van de vele modes en mythen waarover de expositie over 'Honderd jaar Egyptische cinema' verslag doet.

Honderd jaar - dat is sprekend over de Egyptische cinema misschien een heel klein beetje overdreven. Weliswaar werden in 1896, in de stad Alexandrië, voor het eerst filmpjes van de gebroeders Lumière vertoond en deed een jaar later een cameraman van de onderneming Lumière Egypte aan, maar het zou nog tot 1923 duren voordat in Egypte de eerste serieuze speelfilm werd vervaardigd. In 1935 was de eerste Egyptische filmstudio een feit.

In de jaren vijftig, zestig en zeventig ontwikkelde de Egyptische cinema zich met een jaarproduktie van wel zestig films per jaar tot onmiskenbaar marktleider in de arabische wereld. De laatste jaren is die produktie weer teruggezakt tot zo'n vijftien films per jaar. Dat is in de eerste plaats een gevolg van de neergang van het traditionele bioscoopbedrijf en de opkomst van de satelliettelevisie. Maar ook de opkomst van de islamitische rechtzinnigheid in de landen van de arabische wereld speelt een rol.

Het medium film is in al die honderd jaar toch een in de ogen van strenge gelovigen 'zondig' medium gebleven. Dat is eerder dit jaar weer eens gebleken tijdens de (vergeefse) pogingen van religieuze zijde om door de rechter De emigrant van Youssef Shahin te laten verbieden, omdat daarin de profeet Jozef verbeeld zou zijn. De expositie besteedt ruim aandacht aan deze zaak.

Een tentoonstelling over film doet veel oude projectoren en foto's vrezen, maar het Institut du monde arabe heeft er iets heel aantrekkelijks van gemaakt. In een aantal prachtige zalen (ingericht als tingel-tangel, woestijntent, jaren-vijftig-bioscoop met zwaar rood gordijn etc.) worden vooral veel filmfragmenten vertoond. Zodat je aan de uitgang zowaar het gevoel hebt een indruk te hebben gekregen van de ongeveer drieduizend speelfilms die de Egyptische cinema tot nu heeft voortgebracht.

Vanaf zijn prille ontstaan tot diep in de jaren vijftig lijkt de Egyptische film vooral de eigen geschiedenis vanaf de tijd der farao's, en lokale folklore te hebben willen exploiteren. De in de documentatie bij de tentoonstelling vervatte aanvallen op de Westerse oriëntalistiek, die de oosterse werkelijkheid maskeerde terwijl uit de Egyptische film de werkelijkheid zou oprijzen, lijkt me zeer misplaatst. Eerder krijgt men de indruk dat de Egyptische cineasten nauw wilden aansluiten bij het Westerse beeld van Egypte, zoals dat in de hele wereld leidde tot bioscopen die Luxor heetten.

De Nasseriaanse revolutie van 1952, met zijn socialistische idealen, bracht voor het eerst sociaal-realisme in de Egyptische cinema, en een arabo-centrische benadering van de geschiedenis. In die laatste categorie is een prachtig fragment uit Saladin (1962) van Youssef Shahin te zien, waarin de proto-Nasser Saladin de ene na de andere overwinning op de ongelovige Europese kruisridders behaalt.

Censuur was steeds een probleem voor de Egyptische film, sinds de invoering in de jaren vijftig van een direct op de Hays-code van Hollywood geënte regeling. De Nasser-tijd verloste de cinema misschien van het winststreven, maar leidde op den duur ook weer tot een al te grote greep van de staat op de filmproduktie. Toen die greep begin jaren zeventig wegviel, ontwikkelde zich in Egypte in snel tempo een zeer persoonlijke auteurs-cinema, die de laatste jaren in toenemende mate in economische moeilijkheden geraakt. Het minste wat je van de tentoonstelling zeggen kunt, is dat deze naar de Egyptische cinema zeer nieuwsgierig maakt - zowel naar de toekomst als naar het voor Nederlandse ogen tot nu toe bijna verborgen verleden.