De twaalfde Ajacied

Zo'n voetbalwedstrijd midden op de dag op de televisie, het zou bij wet verboden moeten worden. Het is schadelijker voor de nationale economie dan, om een voorbeeld te noemen, een vol jaar politiestaking. Van een politiestaking hebben we op de keper beschouwd alleen maar voordelen. Je hoeft niet meer de valse hoop te koesteren dat ze bij inbraak of diefstal iets met je aangifte zullen doen - je weet het meteen zeker. Ook de drugsbaronnen kunnen weer rechtstreeks aan elkaar leveren, zonder concurrentie van de politie.

Maar met die voetbalwedstrijd moeten we diep in het vlees van Zalm hebben gesneden. Iemand gesproken die gisteren normaal heeft gewerkt? Zelfs voetbalhaters in bedrijven en scholen voelden zich gedwongen te kijken, omdat in hun omgeving drie uur lang niemand aanspreekbaar was.

Mijn persoonlijke ervaring is dat het niet alleen om die drie uur gaat. De naweeën zijn minstens zo ingrijpend. Ik moest na die uitzending nog aan een pittig karwei beginnen, maar het lukte niet meer. De nieren bonkten nog lang na, de keel bleef scherp en droog, en telkens weer verschenen die angstige beelden op het netvlies: Danny Blind, beschaafd hoestend met de hand voor de mond (hij gaat toch niet overgeven, dacht ik nog), op weg naar de penaltystip.

Ach, wat waren we allemaal weer blij. Terwijl we in polonaise de straat opsnelden, bedankte ik in gedachten vooral onze omroepéquipes die deze wedstrijd veel belangrijker hebben gemaakt dan hij in wezen was.

Waar ging het nou helemaal om? Om de Toyota Cup, als ik het goed heb begrepen. Met een officieel wereldkampioenschap heeft het niets te maken - het is gewoon een sportief onderonsje tussen de Europese en de Zuidamerikaanse kampioen.

Dat was een nuance die niet thuishoorde in de berichtgeving op radio en tv. Alleen Louis van Gaal liet één moment doorschemeren hoe betrekkelijk het allemaal was. Terloops zei hij in een van die wezenloze voorbeschouwingen, waarvoor ze bij de NOS met liefst twaalf man naar Tokio waren afgereisd: “Volgend jaar misschien maar geen wereldbeker. Het kost veel en als je 'm eenmaal hebt...”

Hoe komt het dan dat we ons met z'n allen op het Museumplein tòch wereldkampioen kunnen voelen? Hier schiet mij vooral één naam te binnen: Jack van Gelder, de NOS-sportverslaggever op de radio. Van Gelder mocht de afgelopen dagen ook een aantal voorbeschouwingen op de tv voor zijn rekening nemen. Vroeger hadden zulke uitzendingen bij de NOS nog een soort neutrale, journalistieke toon, maar die is kennelijk afgeschaft met het oog op de concurrentiestrijd met de commerciëlen.

Van Gelder zat in Tokio als de twaalfde Ajacied. Vraaggesprekjes mondden uit in leuke dolletjes met de spelers, de tweespraken met de coach waren gedachtenwisselingen tussen twee broers die het wel en wee van de familie doornamen. Nooit Louis van Gaal zó ontspannen gezien. Als hij met Kees Jansma of Henk van Dorp praat, laaien zijn ogen van achterdocht. Wanneer zij ook maar één moment aan de grootheid van Ajax dreigen te twijfelen, slaat Van Gaal genadeloos toe.

Hij heeft daartoe een zeer interessante tactiek ontwikkeld. Hij probeert de journalist tegenover hem te intimideren met de suggestie dat deze niets, maar dan ook helemaal niets, van voetbal begrijpt. Als zo'n journalist het dan toch waagt om Ajax opeens ondubbelzinnig te prijzen, valt de bijl van Louis.

“Fantastische wedstrijd van Davids”, juichte Jansma na de triomf over Real Madrid. Van Gaal keek hem met enige deernis aan. Toen zei hij hoofdschuddend: “De eerste helft was Edgar helemaal niet goed. Hield zich niet aan de tactische opdracht. Pas na de rust was hij goed.” Jansma wilde al instemmend opveren, toen Van Gaal er met scherpe minachting aan toevoegde: “Maar toen waren ze allemáál goed.”

Van Gaal aanvaardt alleen complimenten van verslaggevers die in hun vrije tijd het Ajax-home komen opschilderen en de vuile was van de spelers mee naar huis nemen. Verslaggevers als Jack van Gelder dus. Zulke mensen verzoenen Van Gaal voor even - voor héél even - met een tamelijk walgelijk verschijnsel als de journalistiek. Jack hoort bij Ajax, zoals Sjakie Swart erbij hoort, en Bobby Haarms. One of the guys.

De dag voor de grote wedstrijd stonden ze samen op het oefenveld. “Je krijgt het nooit meer beter dan met deze groep”, zei Van Gelder tegen Van Gaal, “het is nu iedere dag genieten.” Dit was geen compliment meer, dit was een vader die tegen zijn schoonzoon zei: “Jongen, een betere vrouw zul je nooit krijgen.” Er klonk iets van een traan in Jacks stem door. Van Gaal keek geroerd van hem weg. Het was een magisch moment tussen twee mannen die de geheimen van het leven samen hadden doorgrond.

Kort voor de aftrap van Ajax-Gremio ontmoetten ze elkaar opnieuw, de coach en de verslaggever. Het werd op de radio uitgezonden, ik verzin niets.

Van Gaal: “Je hebt erg je best gedaan om deze wedstrijd te laten leven.”

Van Gelder: “Bedankt voor het compliment.”

Van Gaal: “Een welgemeend compliment.”

Ik vind dat Jack van Gelder bij de jongens op het podium moet.