Bijten in je sok

Alle delen uit de serie Versjes voor beginnende lezers verschenen bij uitgeverij Zwijsen en kosten ƒ 13,50. (Joke van Leeuwen, Ik ben ik / Paul van Loon en Annemie Berenbrouckx Ik wil zo graag een spook / Erik van Os en Jan Jutte, Er loopt een liedje door de lucht / Riet Wille en Kristien Aertssen, Een mondje vol / Dinie Akkerman, Mijn jas heeft heel veel knopen / Truus van de Waarsenburg en Rick de Haas, De koning gaat in bad)

Ze passen in een schoen en zijn vaak origineel en geestig, de zes eerste leesboekjes op rijm die onlangs bij uitgeverij Zwijsen verschenen. Boekjes voor beginnende lezers waren vroeger veelal saai door hun simpelheid. Het is tenslotte een hele kunst om in éénlettergrepige woorden een mooi verhaal te vertellen. Dus aaide mam maar weer de hond en rookte pap zijn pijp.

Deel 1 van de serie 'Versjes voor beginnende lezers' is het meest geslaagd. Ik ben ik van Joke van Leeuwen is bedoeld voor de lezers die pas vier maanden in groep drie zitten. Als geen ander weet van Leeuwen zich te verplaatsen in de gedachten van een kind van die leeftijd: 'Ik ben zes./ Mijn neus is zes. / Mijn kin is zes. / Mijn haar is zes. / Mijn buik is ook zes. / Mijn neus weet dat niet. / Mijn kin weet dat ook niet,' enzovoorts, met als slotregels: 'Ik zeg het ze wel. / Dat wij zes zijn.'

Van Leeuwen dichtte over ziek zijn, over een dief en over waar 'mijn sok' naar ruikt. Naar voet, maar ook naar koe, naar bier en naar een ui in de zon. De hoofdpersoon van deze versjes snuift lange tijd aan zijn (of haar) stinksok, aait aandachtig over zijn vel, luistert naar zijn buik, is kortom druk bezig zichzelf te ontdekken. Zijn bevindingen worden graag gedeeld: 'Wil jij ook een keer?/Hier.' Op de illustratie zie je een klein mensje hoopvol opkijken naar een groter iemand die de sok als een haring boven zijn hoofd houdt. 'Nou?' staat er in een tekstballon boven het hoofd van de kleine. 'Nou!' antwoordt de grote. Van Leeuwen tekende zelf de bladzijden vol met haar bekende gekke poppetjes. Hoe klein de illustraties soms ook afgedrukt zijn, er is weer veel te zien en vooral veel te lachen.

Het niveau van de boekjes uit de serie loopt op. Het tweede deel is leesbaar na vijf maanden onderwijs, het derde na zes en zo verder (hoewel het tempo van het leren lezen natuurlijk niet bij iedereen gelijk loopt). Het wordt dus steeds iets moeilijker, met langere zinnen en ingewikkelder rijmen. Vanaf het derde boekje Er loopt een liedje door de lucht van Erik van Os zijn er voorzichtig woorden van twee lettergrepen gebruikt zoals het woord 'dropje'. Ook de vorm van de gedichten wordt moeilijker en vindingrijker. In het versje 'Moe moe' wenst de hoofdpersoon dat zijn bed naar beneden komt zodat hij zelf niet helemaal naar boven hoeft te lopen. De woorden zijn trapsgewijs afgedrukt. In Van Leeuwens Ik ben ik gaat de tekst nooit veel verder dan: 'Ik lig. / Ik ben ziek', terwijl Truus van de Waarsenburg in deel zes zich al regels kan veroorloven als: 'Dit is het nieuws van kwart voor zeven. / Laat alles liggen en luister even.'

Gek genoeg worden de versjes in deze serie saaier en minder bijzonder naarmate de lezer meer aankan. Sommige regels uit het vierde deel Een mondje vol van Riet Wille zijn gezocht en vertonen tekenen van rijmdwang: 'Bord en buik zijn leeg. / Grol, grol, grol. / Maar het randje ligt propvol', en 'Bal, bel, bil en bol, / ik heb een mondje/VOL.' Het lijkt me wel wat onbevredigend deze woorden moeizaam uit te spellen en dan te ontdekken dat er eigenlijk niets staat. Natuurlijk kan het gebruik van klanken of van woorden die niet bestaan grappig zijn en een functie hebben in liedjes en gedichten. Maar hier is het alsof de schrijfster geen goed rijmwoord vinden kon.

Ook de illustraties worden minder als het niveau van de teksten vordert. De illustraties van Annemie Beerebrouckx in deel twee (Ik wil zo graag een spook van Paul van Loon) en die van Jan Jutte in deel drie zijn origineler dan die in de laatste drie delen. Berenbrouckx tekende onder meer een prachtig doorzichtig huis bij het gedicht 'Een huis van glas', terwijl Jan Jutte met zijn eigenzinnige tekeningen behoort tot de beste illustratoren van Nederland.

Hierbij vergeleken zijn de illustraties van Kristien Aertssen in het deel 4 toch een beetje braaf. Haar figuurtjes mogen dan allerlei vreemde capriolen uithalen, ze houden hun wat saaie, expressieloze gezichten. Hetzelfde geldt voor de illustraties van Dinie Akkerman in deel vijf en voor die van Rick de Haas in deel zes, die het meest realistisch zijn.

Misschien zijn de laatste drie boeken ook wat minder nodig dan de zo geslaagde eerste drie. Het aanbod voor kinderen die al heel behoorlijk kunnen lezen is uitgebreider dan voor echte beginners. Maar wat de eerste drie delen van de serie betreft vind ik het jammer dat ik het al kan, lezen.

Illustratie van Joke van Leeuwen uit Ik ben Ik