'Bewaarders denken aan orde en rust'

Vorige week verscheen een rapport van de Nationale Ombudsman over de dood van gevangene Marcel H. Het rapport geeft een onthutsend beeld van de zieken- en verslaafdenzorg in een gevangenis.

ROTTERDAM, 29 NOV. Marcel H. kon al weken niet meer lopen, at niet en was incontinent. Toch bleef de medische dienst van gevangenis Norgerhaven ervan uitgaan dat hij last had van gewone verslavingsverschijnselen. Pas na zijn overlijden op 26 september 1994 stelde een arts vast dat H. leed aan tbc. Zes dagen eerder was zijn urine voor het eerst gecontroleerd. Daaruit bleek dat hij in de voorafgaande periode geen drugs had gebruikt, maar ook toen bleef medische hulp achterwege.

Het vorige week verschenen rapport van Nationale Ombudsman M. Oosting over de dood van gevangene Marcel H. geeft een onthutsend beeld van de zieken- en verslaafdenzorg in een gevangenis. Het rapport verwijt arts, directie en personeel van Norgerhaven ernstige nalatigheid. Mede-gedetineerden van H. eisen naar aanleiding van het rapport dat de arts alsnog strafrechtelijk wordt vervolgd.

Uit de gesprekken met alle betrokkenen blijkt dat H.'s vermeende drugsverslaving reden was om zijn klachten niet serieus te nemen. Een verpleegkundige: “Het eerste signaal met betrekking tot zijn incontinentie kreeg ik in de voorlaatste week voor zijn overlijden. Ik hoorde toen dat hij in de prullenbak plaste. Dit paste voor mij bij het drugsgebruik van H. en bij de verdere rommel in zijn cel. Toen ik later de urinelucht in zijn cel rook, vond ik dat dus niet verontrustend.”

De onwil om H. nader te onderzoeken strekte zich volgens de ombudsman uit tot de gevangenisleiding. Drie dagen voor de dood van H. - toen al bekend was dat zijn klachten niet voort konden komen uit drugsverslaving - nam een delegatie poolshoogte. “Hij lag nat in bed. In zijn cel was het bijna niet uit te houden vanwege de doordringende urinegeur”, schrijft de ombudsman. “Daarop verplaatsten unitdirecteur, verpleegkundige en maatschappelijk werker H. naar de douche, legden hem daarin op de grond en wasten hem. Intussen verschoonden de plaatsvervangend unitdirecteur en een bewaarder zijn bed. Na te zijn gewassen, werd H. weer in bed gelegd.”

De behandeling van Marcel H. staat niet op zichzelf. Vorig jaar werden bij de Nationale Ombudsman nog drie klachten ingediend over het gebrek aan medische zorg bij stervende gedetineerden. Naar aanleiding hiervan stelde het ministerie van justitie in april een werkgroep samen: de commissie-Van Dinter. Uit haar rapport 'Zorg Ingesloten', dat in september uitkwam, blijkt dat een aantal problemen zich in diverse gevangenissen voordoet.

Eén probleem vormen de inrichtingsartsen, meestal huisartsen uit de buurt van de gevangenis met een deeltijd-contract. Zij voldoen vaak niet, schrijft de commissie. De artsen functioneren niet als 'hoofd van de medische dienst' - wat zij formeel wel zijn - en brengen minder uren in de gevangenis door dan het aantal waarvoor zij zijn aangesteld. “Het duurt vaak weken voor je hem te spreken krijgt”, zegt een drugsverslaafde met gevangeniservaring. “En als je denkt dat je een specialist nodig hebt, moet je verschrikkelijk lang zeuren.” Ook vervult de arts een dubbelrol; zowel 'huisarts' van de gedetineerde als 'bedrijfsarts' van de gevangenis.

Een ander probleem is de verstrekking van medicijnen door de inrichtingsarts. Ruim de helft van de circa tienduizend gedetineerden in Nederland is verslaafd aan drugs. Buiten de gevangenis kunnen zij methadon krijgen, binnen hangt dat af van de inrichtingsarts. De een doet het wel, de ander niet. Hetzelfde geldt voor de verstrekking van kalmeringsmiddelen. De arts die Marcel H. onder zijn hoede had, zegt in het rapport van de Nationale Ombudsman: “Ik verstrek deze middelen zo weinig mogelijk. Methadon schrijf ik helemaal niet voor.” De arts zegt te willen vermijden dat hij als drugsleverancier wordt misbruikt.

Kalmerende middelen en methadon blijken vaak een strijdpunt te zijn tussen bewaarders en medische diensten in gevangenissen. Verslaafde gedetineerden die geen methadon krijgen, zijn een bron van onrust. Ze zoeken naar binnengesmokkelde drugs, maken ruzie, stelen en vechten. Dus oefenen bewaarders druk uit op de arts om wel methadon te geven. De arts van H. zegt in het rapport van de Nationale Ombudsman dat zijn terughoudende beleid vaak wrevel wekt. “De bewaarders denken veel meer aan orde en rust in de inrichting.”

Dergelijke conflicten kunnen ertoe bijdragen dat klachten van als verslaafd bekend staande gedetineerden, zoals Marcel H., niet goed worden onderzocht. De eerder geciteerde drugsverslaafde, die liever niet met zijn naam in de krant wil, bleek aids te hebben toen hij twee jaar geleden uit de gevangenis werd ontslagen. Tijdens zijn detentie was dit niet aan het licht gekomen - ondanks herhaaldelijk contact met artsen.

In haar rapport pleit de commissie-Van Dinter voor justitieel beleid op het gebied van verstrekking van methadon en andere middelen aan gevangenen. Maar het ministerie van justitie zegt desgevraagd hiervoor vooralsnog niets te voelen. “Het is de verantwoordelijkheid van de individuele arts”, aldus een woordvoerder van het departement. Verder pleit de commissie voor een duidelijker taakverdeling tussen bewaarders en verpleegkundigen, meer 'teamgeest' onder het personeel en een ziekenboeg bij elke gevangenis. Nu bestaat alleen het penitentiair ziekenhuis in Scheveningen. In februari maakt het ministerie van justitie bekend welke maatregelen het zal treffen.