Beursklimaat 'ideaal' voor notering van nieuwe fondsen

Voor de Amsterdamse effectenbeurs is het van levensbelang dat de stroom nieuwe bedrijven die in de notering komt niet opdroogt. Het werven van ondernemingen is een taak van W.A. Verburg, hoofd primaire markt. “Welke activiteit een bedrijf ontplooit interesseert me geen biet. Ieder goed fonds is van harte welkom”.

AMSTERDAM, 29 NOV. Fusies, overnames en liquidaties. Gedrieën vreten ze aan het bestand van beursgenoteerde ondernemingen. Zelfs in een tijd dat het economisch voor de wind gaat en het aantal liquidaties is te verwaarlozen, gaat het soms hard. Zo haalt Hagemeyer na de overname van Borsumij Wehry niet alleen dit Haagse handelshuis van de beurs, maar ook dochters Ehco KLM en Stokvis-Union.

Het op peil houden en liefst uitbreiden van het aantal noteringen is een lastige klus. Want een beursnotering is geen onverdeeld genoegen. Weliswaar vergroot het de naamsbekendheid en biedt het toegang tot de kapitaalmarkt, tegelijkertijd is een notering het einde van de vrijheid. Kon de directie voorheen beleid nog veelal in stilte uitstippelen, na beursgang kijkt de hele financiële wereld over de schouder mee.

Een ander nadeel dat Verburg frequent hoort, is het risico dat aan de zelfstandigheid een einde komt. Bedrijven zijn angstig voor een overnemer. “Ondernemingen hechten erg aan bescherming”, is Verburgs ervaring. Doorslaggevend, bij de vraag wel of geen beursgang, kan dat argument volgens hem echter niet zijn. “Er blijven immers, ook als straks de beschermingsmaatregelen worden afgezwakt, altijd genoeg mogelijkheden over om een wal op te trekken. Zoals het creëren van een vaste kern van aandeelhouders.”

Het werven van nieuwe bedrijven is traditioneel geen taak van de beurs zelf. Van oudsher gaan emissiehuizen - grootbanken als ABN Amro, maar ook kleinere als MeesPierson en Kempen & Co - op pad om ondernemingen te vinden die ze naar de beurs kunnen begeleiden. Drie jaar geleden achtte de beurs het nodig ook zelf de boer op te gaan. Dat gaat omzichtig, beklemtoont Verburg. “Voor emissiehuizen is het hun bread en butter. Je moet op je tellen passen dat je ze daarbij niet voor de voeten loopt. Het is een samenspel en dat gaat niet onverdienstelijk”.

Het interesseren van bedrijven is volgens Verburg vooral een kwestie van praten met het management. “Ik geloof niet in advertenties en brochures. Daar leent het produkt beursnotering zich niet voor”. Verburg trad drie jaar geleden in dienst van de Amsterdamse beurs. Daarvoor was hij 24 jaar werkzaam op de afdeling investment banking van de Amro Bank, na de fusie ABN Amro. Afgelopen jaren bracht hij met zijn collega's de Nederlandse bedrijven in kaart, die zich kwalificeren voor een beursnotering. Aan het minimumvereiste, een eigen vermogen van 10 miljoen gulden, voldoet een kleine duizend ondernemingen. Daarvan is het leeuwedeel familiebedrijf.

Dit jaar komen er acht nieuwe bedrijven naar de Amsterdamse beurs. Om toegelaten te worden hanteert de beurs vaste maatstaven, onder meer met betrekking tot het prospectus, het financiële verleden en de balansverhoudingen. “Welke activiteit een bedrijf ontplooit interesseert ons geen biet”, aldus Verburg. “Ieder goed fonds is van harte welkom”.

Het huidige introductieklimaat betitelt Verburg als “prachtig”. De lage rentestand maakt aandelen als beleggingscategorie aantrekkelijk en dat vertaalt zich in hoge koersen. Een ideaal uitgangspunt voor bedrijven die naar de beurs willen. Het goede klimaat heeft evenwel het aantal nieuwe noteringen niet tot grote hoogte opgedreven.

Het jaar 1995 gaat voor Verburg de boeken in als dat van de dual listings. Nieuwe namen op het koersenbord als ASML, Baan, Heidemij, Gucci en komende week BESI zijn zowel in Amsterdam als in Amerika genoteerd. CMG komt vrijdag zowel in Amsterdam als in Londen in de notering. Enkel Vendex en Axxicon gingen deze zomer alleen naar de Amsterdamse beurs.

Verburg noemt een drietal redenen waarom bedrijven tegelijkertijd naar meerdere beurzen gaan. Een voorname is dat de meeste transacties alleen voor de Nederlandse markt niet zouden slagen: geld van buitenlandse beleggers is daarvoor noodzakelijk. Bovendien biedt een notering in Amerika als voordeel dat door de verschillende tijdszones het aandeel over een langere periode per etmaal verhandelbaar is. Niet op de laatste plaats speelt ook een rol dat Angelsaksische beleggers gemiddeld genomen meer risico willen nemen. Ofwel: zij zijn bereid voor een aandeel meer geld neer te leggen.

Per saldo neemt het aantal genoteerde ondernemingen dit jaar toe. Verburg vindt het aantal evenwel geen zuivere maatstaf. “Zo moet je niet denken. Het gaat om beurswaarde. Als Hagemeyer Borsumij opslokt verdwijnt er wel één notering, de totale beurswaarde blijft gelijk”.

In 1993 verdwenen er acht noteringen en kwamen er twee bij. Vorig jaar gingen er zes noteringen verloren en kwamen er vijf bij. Pas dit jaar slaat de balans positief door: onder het voorbehoud dat er geen mutaties meer plaatshebben verdwenen er zeven en kwamen er acht bij.

Het saldo was plus twee geweest als het Smit Trafo debâcle niet had plaatsgehad. Nadat deze sinds vorig jaar in Amsterdam genoteerde transformatoren-fabrikant om nooit opgehelderde redenen zijn bestuursvoorzitter had zien vertrekken en de winstverwachting zwaar naar beneden had bijgesteld, greep ABN Amro in. De bank, die het veel te zonnige emissie-prospectus had geschreven en het bedrijf naar de beurs had begeleid, trof een unieke regeling. Zonder schuld te bekennen werden alle aandeelhouders schadeloos gesteld. Thomassen International voerde aan dat door de Smit Trafo het noteringsklimaat dusdanig verziekt was, dat om die reden de beursgang is uitgesteld tot volgend jaar. Bekend is dat ook Van Leer (verpakkingen) en Vanderlande Industries (transportbanden) vermoedelijk komend jaar naar de beurs komen.

De Amsterdamse beurs wil vooral meer familiebedrijven voor een notering warm maken. Dit soort bedrijven toont echter nog de minste belangstelling. Want voor deze doorgaans kleine tot middelgrote ondernemingen stellen participatiemaatschappijen, banken en professionele beleggers voldoende geld beschikaar om te investeren. Zij hebben de beurs nauwelijks nodig, moet Verburg toegeven.

Alleen Vendex en automatiseerder Baan vielen dit jaar onder de categorie familiebedrijven. De aandeelhouders van Vendex wilden hun bezit te gelde maken en automatiseerder Baan kwam naar de beurs om de expansie te kunnen financieren. Vorig jaar kwam er in zijn geheel geen familiebedrijf, in 1993 alleen bouwbedrijf Heijmans.

Het huidige prachtige noteringsklimaat gecombineerd met een positief saldo van plus één, is voor Verburg geen reden om van een tegenvallende belangstelling te spreken. “Er mag dan wel geen schreeuwende behoefte zijn. Mits je denkt in termen van beurswaarde en niet uitsluitend familiebedrijven, is het potentieel veelbelovend”.