12 Zevende zegel

Op 8 februari 1971 zag ik Het zevende zegel/Det sjunde inseglet van Ingmar Bergman uit 1957 voor het eerst. Ik weet dat zo precies omdat ik als 18-jarige zo ondersteboven was van de film, dat ik besloot vanaf dat moment een boekhouding bij te houden van alle films die ik zag, te beginnen met nog drie oude Bergman-films in een retrospectief in het Cinétoltheater.

Voor meer mensen moet Het zevende zegel een beginpunt geweest zijn. Hoewel het al de 17de lange speelfilm van de Zweedse regisseur was, en eerder werk als Glimlach van een zomernacht (1955) en De zomer met Monica (1953) enige internationale roem had verworven, werd zijn naam pas een begrip door die middeleeuwse, apocalyptische fabel. Bijna dertig jaar lang zou de naam van Bergman synoniem blijven met cinefilie, ook al wekten zijn zwaarmoedigheid en noordse ernst vaak wrevel en spotlust. Toen ik de hommages van Woody Allen aan Bergman in bij voorbeeld Love and Death (1975) en A Midsummernight's Sex Comedy (1984) zag, voelde ik me gesterkt in een allengs zeldzamer wordende voorkeur voor een filmmaker die het Zwijgen van God durfde te verbeelden.

De meest aansprekende scènes uit Het zevende zegel betreffen de Dood (gespeeld door Bengt Ekerot, geschminkt als een witte clown en gekleed in een zwarte mantel met capuchon). Aan het begin van de film komt hij een ridder (Max von Sydow) halen, maar die weet uitstel te bewerkstelligen door de Dood uit te dagen tot een schaakpartij. In die geleende tijd trekt de kruisridder, een verbitterde geloofsfanaticus, die geen genoegen neemt met de schijnbare afwezigheid van God in deze door pest en ondergang getekende tijden, onder andere op met een troep rondtrekkende komedianten, onder wie het paar Mia en Jof. De laatste heeft visioenen van Maria, Jozef en Jezus, en ook de namen Mia en Jof verwijzen naar het evangelie.

Bergmans sympathie gaat niet uit naar de ridder, maar naar de kunstenmakers, die als enigen in staat zijn het aardse tranendal draaglijk te maken. Toch is het duidelijk dat de filmer zich identificeert met de steile ridder; pas veel later, na het verschijnen van Bergmans autobiografie Laterna Magica en verschillende films over zijn eigen familie, zouden we begrijpen dat Bergmans vader, een hofpredikant, model stond voor dat religieuze schuldgevoel. Het hinderde Bergman niet in het ontvangen van de genade van een groot talent. De beroemde en vaak geïmiteerde scène van de dodendans in Het zevende zegel, silhouetten aan de horizon die geleid worden door de Man met de Zeis, ontstond al improviserend in tien minuten, met inderhaast opgetrommelde en verklede figuranten.

Er zijn, geloof ik, niet veel 18-jarigen meer die, bij voorbeeld op video, vier oude Bergman-films in een week bekijken. De secularisatie in de westerse wereld heeft een van de grootste filmers van de eerste eeuw een beetje te snel uit de mode doen raken.