Versnelde invoering van euro is roekeloos

In NRC Handelsblad van 15 november doet Alman Metten, vice-voorzitter van de Economische Commissie van het Europees Parlement, een oproep aan de nationale parlementen om de invoering van de nieuwe Europese gemeenschappelijke valuta, de euro, in een hoger tempo te voltooien dan waarin het onlangs gepresenteerde introductiescenario van het Europees Monetair Instiuut voorziet. In het scenario van het EMI start de Economische en Monetaire Unie (EMU) weliswaar in 1999, maar wordt de euro pas begin 2002 ingevoerd in de vorm van nieuwe munten en bankbiljetten. Overantwoord, aldus Metten, die de centrale bankiers verwijt verantwoordelijk te zijn voor dit door hem onnodig geachte uitstel.

Metten slaat echter de plank op een aantal terreinen nogal mis. Om te beginnen wijst hij de verkeerde aan als schuldige voor de vertraging. De fasering van het introductiescenario van het EMI is namelijk overgenomen uit het invoeringsscenario, zoals dat eerder dit jaar door de Europese Commissie in het fameuze Groenboek is vastgelegd. Het geeft dus geen pas om de centrale bankiers te verwijten dat de gemeenschappelijke munt zo laat zal worden ingevoerd.

Hoe is deze vertraging nu eigenlijk tot stand gekomen? De hoofdoorzaak is gelegen bij de politiek. Zo heeft de Europese Commissie pas in de eerste helft van 1994, ruim twee jaar na het afsluiten van het Verdrag van Maastricht, een werkgroep ingesteld die de praktische invoering van de nieuwe Europese munt moest gaan voorbereiden. Dit was de zogeheten Expert-Groep onder voorzitterschap van mijn ING-collega Cees Maas. Deze groep heeft nadrukkelijk gepleit voor een snelle invoering van de euro, om de geloofwaardigheid van de EMU te versterken en om chaos voor de burgers en het bedrijfsleven te voorkomen.

Een snelle invoering van de nieuwe munt volgens het Maas-scenario betekent echter wel, dat al in 1996 serieus met de voorbereidingen van de produktie van munten en bankbiljetten moest worden begonnen. De politiek heeft dit scenario echter verworpen, met name omdat men van mening is dat de toekomstige euromunten en -bankbiljetten een nationaal kenmerk moeten meekrijgen. Daarom wil men pas met de produktie beginnen als bekend is welke landen mee doen met de kopgroep van de EMU. Dit besluit wordt pas begin 1998 genomen.

Niet bekend

Banken en bedrijven hebben goede redenen te wachten tot alle lichten richting EMU op groen staan; en het is de taak van de politiek om deze op groen te zetten. De kosten voor de banken zijn namelijk enorm; een ruwe schatting leert dat het al snel om enkele honderden miljoenen guldens per (grote) bank zal kunnen gaan. Maar ook het niet-financiële bedrijfsleven zal door de komst van de EMU met hoge omschakelingskosten te maken krijgen; kosten, waar onzekere lange-termijnbaten tegenover staan. Waarom zou een bedrijf dergelijke sommen in een politiek proces investeren, als de betrokken politici zelf hun toewijding nergens uit laten blijken?

Met al deze onzekerheden kan het bankwezen, dat als eerste klaar moet zijn in euro's te kunnen opereren weinig meer doen dan risicoscenario's opstellen en inventariseren welke systemen te zijner tijd moeten worden geconverteerd. Uit Mettens betoog blijkt, dat hij weinig affiniteit heeft met de problemen die de komst van de EMU voor de financiële sector meebrengt. Ook doet zijn stelling dat het vastklinken van de wisselkoeren bij de start van de EMU in 1999 de banken geen wisselkoersrisico meer lopen, terwijl de Nederlander op vakantie in Oostenrijk niet met guldens kan betalen en dus blijkbaar niets aan de EMU heeft, op zijn zachtst gezegd nogal merkwaardig aan. Banken plegen in het algemeen juist aan wisselkoersschommelingen te verdienen, zodat de vaste koppeling van de betrokken wisselkoersen de banken honderden miljoenen aan gemiste inkomsten zal kosten. De Nederlander op vakantie in Oostenrijk daarentegen, heeft tot 2002 weliswaar nog steeds schillings nodig, maar kan deze goedkoper, namelijk zonder aan- en verkoopmarges, uit de lokale geldautomaat trekken. Verder zal de lage rente, die met de start van de EMU gepaard zal kunnen gaan, de rentemarge van het bankwezen drukken, maar de consument ten goede komen.

De grootste ommissie in het betoog van Metten is echter, dat hij blijkbaar niet de moeite neemt om zich werkelijk in de operationele problemen rond de invoering van de euro te verdiepen. Want als hij ook maar enig inzicht zou hebben in de enorme logistieke operatie waar de financiële sector voor staat en als hij ook maar een klein beetje zou begrijpen van de rol die het betalingsverkeer speelt in een markteconomie, dan zou hij zeker minder negatief over het door het EMU gepresenteerde scenario zijn geweest. Want wat moet er allemaal gebeuren? Het Europese betalingsverkeer moet worden gekoppeld, hetgeen een enorme klus is omdat alle landen andere systemen hebben. Alle systemen van banken moeten worden omgebouwd om in euro's te kunnen opereren en banken moeten een tijdlang (tussen 1999 en 2002) wellicht voor een deel met een parallelle valuta werken, hetgeen tijdelijk dubbele systemen vergt, daardoor erg duur is en verder gemakkelijk kan ontaarden in chaos. Ook zal de monetaire beleidsomgeving met de EMU ingrijpend veranderen. Drie jaar voorbereidingstijd voor dit alles is erg kort.

Verder geldt: hoe kan een instelling zich voorbereiden op iets, als niet bekend is wat er precies gaat gebeuren? De EMU zou wat betreft de banken sneller kunnen worden voltooid, als de politiek de onzekerheden in een vroeg stadium had weggenomen. De bereidheid hiertoe bleek, helaas, niet aanwezig. De hoop is nu gevestigd op de top in Madrid in december. En dan nog kan het proces tussen nu en 1998 spaak lopen op politieke strubbelingen, bijvoorbeeld rond de criteria van het Verdrag van Maastricht.

Er is echter nog meer aan de hand. Niet alleen het bankwezen, de burgers en het bedrijfsleven moeten namelijk overschakelen, ook de collectieve sector heeft een aantal grote betalingssystemen die moeten worden omgezet. Men denke bijvoorbeeld aan de belastingdienst, de studiefinanciering of de sociale zekerheid. Tot dusver lijkt hier, in tegenstelling tot in het bankwezen, nog geen werkelijke voorbereiding plaats te vinden, hetgeen erop duidt dat de omvang van de klus zwaar wordt onderschat.

In Nederland is de overheid er in het recente verleden een aantal malen in geslaagd om enkele verhoudingsgewijs eenvoudige zaken, zoals de studiefinanciering en de invoering van een nieuw paspoort in een chaos te laten ontaarden. Omschakeling van de gulden naar de euro is een veel ingrijpender proces en men kan zich de te verwachten problemen al levendig voorstellen.

Het bankwezen bereidt zich samen met de Nederlandsche Bank al terdege voor op de komst van de euro en lijkt in staat te zijn om reeds in 1999 de beoogde geld-en kapitaalmarkttransacties in euro te kunnen afwikkelen. Een overhaaste, geforceerde invoering van de euro in de rest van het economische verkeer, zoals Metten bepleit, zou echter vrijwel zeker in chaos uitmonden, met alle nadelige gevolgen voor burgers en bedrijven en uiteindelijk daarmee voor de publieke steun voor de EMU. Dat kan toch niet zijn bedoeling zijn.

Als een ordentelijke invoering van de euro te zijner tijd op een mislukking uitdraait, zal dat te wijten zijn aan een onzorgvuldig en/of overhaast invoeringsscenario of aan een overheid die haar zaakjes niet bijtijds op orde heeft. In dat geval is de EMU evenwel definitief ter ziele: een herkansing zal er niet komen. De nationale parlementen doen er dan ook verstandig aan de oproep van Metten naast zich neer te leggen en te luisteren naar anderen, die meer inzicht hebben in de operationele aspecten van de invoering van de euro. Zoals de centrale bankiers van het EMU.