Oorlog in Burundi escaleert

NAIROBI, 28 NOV. Een 'sluipende genocide' noemde een diplomaat in de Burundese hoofdstad Bujumbura onlangs de burgeroorlog in het land, die steeds bloediger vormen aanneemt. De strijd tussen Hutu-rebellen en het door Tutsi's gedomineerde regeringsleger heeft zich de afgelopen weken over het hele land uitgebreid. Daarbij vallen wekelijks honderden doden. Geen enkele oorlog in Afrika maakt op dit moment zoveel slachtoffers. Sinds met de moord door een legereenheid op de democratisch gekozen Hutu-president Melchior Ndadayé de oorlog in 1993 een aanvang nam, zijn daarbij al ruim honderdduizend mensen omgekomen.

In het zuidoosten braken begin vorige week gevechten uit tussen het leger en de Hutu-beweging FROLINA geleid door Joseph Karumba. Het zuiden was tot nu toe gevrijwaard gebleven van gevechten. FROLINA en de Gewapende Volksstrijdkrachten, een onderafdeling, opereren vermoedelijk vanuit Tanzania. Al vóór de exodus van Hutu's in de afgelopen twee jaar vluchtten in de beginjaren zeventig tienduizenden Hutu's naar Tanzania na een door Tutsi-soldaten aangericht bloedbad onder Hutu's. FROLINA lijkt veel manschappen te recruteren onder deze ballingen.

In het noorden zijn enkele provincies van de buitenwereld afgesloten door de gewelddadigheden. Hier opereren Hutu-rebellen van de Nationale Raad voor de Verdediging van de Democratie (CNDD) geleid door ex-minister Leonard Nyangoma en een afsplitsing aangevoerd door Kabora Khossan. Deze Hutu-rebellen vallen volgens Amnesty International zonder onderscheid Tutsi's aan, of het nu burgers of militairen zijn. Zij werken samen met restanten van de voormalige Rwandese Hutu-strijdkrachten in Zaïre die anderhalf jaar geleden in Rwanda honderdduizenden Tutsi's hielpen afslachten.

De extremisten aan beide zijden in het conflict lijken definitief de overhand te hebben gekregen. De meeste Tutsi's leven in het van Hutu's 'gereinigde' Bujumbura. Het Tutsi-leger werkt nog aan een Hutu-vrije gordel rond de hoofdstad. Buiten de steden wonen de Tutsi's alleen nog rond de kazernes. Als Hutu-rebellen en Tutsi-soldaten slaags raken, resulteert dit veelal in wraakacties tegen Hutu-dorpen waarbij het leger huizen platbrandt en burgers vermoordt.

De oorlogsgebieden worden door het leger afgeschermd voor hulporganisaties. Volgens hulpverleners en diplomaten verliezen bij de toenemende strijd dagelijks tientallen burgers het leven en het percentage ondervoeden onder de ontheemden neemt snel toe. Extremistische moordcommando's, vooral van Tutsi-kant maar ook van Hutu-zijde, richten hun aanvallen op potentiële leiders, zoals geestelijken, studenten en intellectuelen.

Angst en paranoia vormen het hoofdmotief voor alle strijdende partijen. De Tutsi's, die al decennia-lang de politiek, de economie en de strijdkrachten in Burundi controleren, vrezen voor een genocide zoals in Rwanda. Doden om niet gedood te worden, luidt hun motto in de strijd tegen de Hutu's. Aangewakkerd door extremistische Tutsi-politici zoals ex-president Jean-Baptiste Bagaza, streven zij naar een permanente scheiding van de Hutu- en Tutsi-bevolking om zo hun dominantie te kunnen handhaven.

Aan Hutu-zijde heeft de CNDD-leider Nyangoma aan invloed gewonnen omdat de gematigde Hutu-politici in de coalitieregering niet in staat blijken de belangen van de Hutu-meerderheid te verdedigen tegen het Tutsi-leger. In de CNDD wordt de in de regio veel gehoorde komplot-theorie aangehangen als zouden de regeringen van Burundi, Rwanda en Oeganda één groot Tutsi-rijk willen stichten in het Gebied van de Grote Meren. Net zoals in het Tutsi-leger gebeurt, wakkert de CNDD de angst aan onder zijn tribale aanhang dat de vijand uit zou zijn op totale uitroeiing van zijn tegenstanders.

De VN en donorlanden hoopten tot voor kort het conflict te kunnen bedwingen door te streven naar dialoog en verzoening op het hoogste niveau. Deze politiek heeft niet gewerkt. De coalitieregering van Hutu- en Tutsi-partijen blijft hopeloos verdeeld en machteloos in het door extremisten gepolariseerde klimaat. De gematigde Hutu-president Sylvestre Ntibantungangya verliest steeds meer invloed en om hem heen wordt hard gewerkt aan zijn val.

De politiek van conflictbeheersing werd uitgedragen door de speciale VN-afgevaardigde Ould Abdallah. Maar deze Mauretaniër is in oktober uit Bujumbura vertrokken en opgevolgd door de Marokkaan Aziz Hasby. Probeerde Ould Abdallah bij iedere crisis weer een vergelijk te vinden tussen de ruziënde partijen, Aziz verkondigde onlangs: “Het geduld is nu op.” Deze uitspraak lijkt indicatief voor de vermoeidheid die bij de buitenwereld is ontstaan. De Wereldbank trok onlangs vrijwel al haar personeel terug uit haar kantoor in Bujumbura. Het Westen lijkt de hoop op een vreedzame oplossing te hebben opgegeven en is alleen nog bereid humanitaire hulp te verstrekken - het laatste dat het kan doen alvorens zijn diplomaten terug te trekken als de situatie geheel uit de hand loopt.