'Nederlandse muziek uitvoeren is geen corvee'; 'Musicus moet Nederlandse muziek op repertoir hebben'

Dirigent Ed Spanjaard stelde het programma samen voor de Nederlandse Muziekdagen die komend weekeinde plaatsvinden in Utrecht. Hij koos minder bekende of bijna vergeten muziek van drie generaties componisten, die een leraar-leerling relatie hadden.

Nederlandse Muziekdagen. Mmv Nederlands Kamerkoor, Ensemble Amadé, Nieuw Ensemble, Radio Filharmonisch Orkest, Radio Kamerorkest, Groot Omroepkoor, Corelli Ensemble, Metropole Orkest. Werken van uitsluitend Nederlandse componisten. Muziekcentrum Vredenburg Utrecht van 1-3 dec. Inl 030-2314544.

UTRECHT, 28 NOV. “Natuurlijk, het is absoluut geweldig als je een meesterwerk kunt dirigeren, maar dat neemt niet weg dat ik me graag inzet voor stukken die misschien niet van Onze Lieve Heer een 10+ hebben gekregen.” Ed Spanjaard (1948) breekt al jaren een lans voor Nederlandse componisten. Hij dirigeerde tal van premières van Nederlandse stukken en hij is de samensteller van het programma van de Nederlandse Muziekdagen, die van 1 tot en met 3 december voor de zevende maal in Muziekcentrum Vredenburg worden gehouden. Voor het eerst hebben de organiserende instellingen, NPS, Donemus, Gaudeamus en Vredenburg, gekozen voor een centrale programmeur.

“Nederlandse muziek uitvoeren is voor mij geen corvee”, zegt Spanjaard. “Ik vind dat je als Nederlandse musicus een flink aantal Nederlandse stukken op je repertoire moet hebben.”

Hij vindt dat Nederlandse muziek ondergewaardeerd wordt: “Waarom zijn Diepenbrock en Pijper voor de gemiddelde muziekliefhebber zoveel buitenissiger dan bijvoorbeeld Couperus en Slauerhoff voor een lezer? Natuurlijk kun je van een boek gemakkelijk een bladzijde nalezen, maar hoeveel muziekliefhebbers kunnen mij het begin van Diepenbrocks declamatorium Elektra voorzingen? Wie weet er welke violist het laatst het Vioolconcert van Pijper heeft uitgevoerd? Ik heb mij erover verbaasd dat veel mensen schamper op Pijper reageren - nog steeds, ook nadat vorig jaar veel muziek van hem is uitgevoerd ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag.”

“Pijper was een trendsetter. Bijna alle componisten van de generatie na hem hebben bij hem gestudeerd. Ik zeg niet dat al zijn stukken meesterwerken zijn. Maar er is een gebrek aan belangstelling voor hem. Je bent toch ook trots op andere culturele toppers: Fanfare van Haanstra, een schitterende film. Of de Dokwerker, daar neem je toch iedere keer je pet voor af? En er zijn gedichten van Bloem, Nijhoff en Marsman die je geheel of gedeeltelijk in je hoofd hoort zingen?”

De naam Willem Pijper valt veelvuldig gedurende het gesprek. Hij is een referentiepunt in de Nederlandse muziekgeschiedenis van deze eeuw - een erflater, beurtelings verguisd en vereerd. Tijdens de Nederlandse Muziekdagen worden geen werken van hem uitgevoerd, maar op de achtergrond is hij wel aanwezig.

Spanjaard: “Om de vijf concerten te stroomlijnen, heb ik het thema 'leraar-leerling' als uitgangspunt genomen. De twee belangrijkste componisten die als docent-componist worden gepresenteerd zijn beiden leerlingen geweest van Willem Pijper: Kees van Baaren en Bertus van Lier. De vroege Van Baaren heeft nog veel Pijper-invloeden. Een vroeg Concertino voor piano en orkest is een beetje jazzy, maar is tegelijkertijd geïnspireerd door het Pianoconcert van Pijper. De vroege Van Lier lijkt ook op Pijper. Zijn Pianosonatine is in de traditie te plaatsen van de Pijper-sonatines.”

Na hun studie bij Pijper gingen ze ieder hun eigen weg. Van Baaren (1906-1970) werd de belangrijkste Nederlandse dodecafonist; hij propageerde het componeren met een reeks van alle twaalf tonen van het octaaf. Spanjaard: “Van hem heb ik een belangrijk orkestwerk op het programma gezet: Musica per orchestra, een compositie uit de jaren zestig met in het derde deel allerlei citaten van Pijper, Wagner, Beethoven, Stravinsky, en Moessorgski. Van Baaren heeft eigenlijk vrij weinig gecomponeerd, maar hij leidde een hele generatie van toonaangevende componisten op, onder wie Louis Andriessen, Peter Schat en Jan van Vlijmen. Van Vlijmen heeft op zijn beurt verschillende interessante leerlingen afgeleverd, zoals ik wil laten horen.”

Tegenover Van Baarens Musica per orchestra plaatst Spanjaard het belangrijkste werk van Bertus van Lier (1906-1972): zijn verklanking van het Oud-testamentische Hooglied voor klein orkest, koor en solisten (1949). Spanjaard: “Van Lier was een vriend van mijn ouders, hij was een beminnelijke en indrukwekkende man. Voor zijn vertaling van Sofokles' Antigone kreeg hij de Nijhoff-prijs en hij werd, zonder zelf een wetenschappelijke opleiding te hebben genoten, lector in de musicologie te Groningen. Van Lier componeerde in een lyrische, je zou bijna kunnen zeggen extatische, melodische stijl met een heel sterk besef van contrapunt. Geënt op 'vader Bach' eigenlijk - waarschijnlijk doordat hij heel vaak de Matthäus Passion uitvoerde met de Rotterdamse Volksuniversiteit. Dat waren voor die tijd befaamde uitvoeringen. Na een grondige studie van het bijbelse Hooglied, heeft Van Lier zijn werk gestructureerd in tweemaal zeven gezangen, die qua versregels een mooi patroon vormen, zowel dramatisch als mathematisch.

“Van Lier was de docent van Robert Heppener, die dit jaar zeventig is geworden en in januari de belangrijke Johan Wagenaar Prijs ontvangt. Ik ben goed bevriend met Heppener. Niet dat ik hem daarom een goede componist vind, maar ik hou veel van zijn muziek. Eén van de interessantste leerlingen van Heppener is Joël Bons, de oprichter van het Nieuw Ensemble, waaraan ik leiding geef. Ik had gehoopt dat we een nieuw werk in première zouden kunnen brengen, maar dat is niet gelukt. We spelen daarom nog eens Draught, een krachtig Bons-stuk.”

Als programmeur hoopt Spanjaard dat het naast elkaar zetten van deze drie generaties componisten iets oplevert. Hij verwacht dat er bepaalde parallellen hoorbaar zullen zijn. Of dat ook overkomt is volgens Spanjaard natuurlijk de vraag, maar hij heeft het gevoel dat de geprogrammeerde muziek overtuigend klinkt. Topstukken hoeven het van Spanjaard niet allemaal te zijn: “Je hebt delicatessezaken, waar je perfecte druiven koopt die allemaal opgepoetst zijn. Maar je kan ook in een iets minder chique zaak een lekkere banaan kopen, waarvan je een klein stukje moet afsnijden omdat het bruin is geworden.

“In het programma zul je tevergeefs zoeken naar geaccepteerde topstukken. Ik heb niet op safe gespeeld, maar de stukken die ik ken - en dat is ongeveer de helft - vind ik meer dan goed genoeg. Sommige werken zijn bijna vergeten, zoals Entelechie 2 van Peter Schat. Ik was tien dagen geleden bij hem en hij had even vaak als ik het vergrootglas nodig om te ontcijferen wat er ook weer stond. Het is een gekriebel van jewelste, maar daarachter gaat voor mij een heel interessant stuk schuil. In de Van Baaren-Van Vlijmen-tak wordt de Eerste symfonie van Peter-Jan Wagemans uitgevoerd, een compositie die sinds de première niet meer heeft geklonken. Dit duistere en dynamische werk heeft hij geschreven toen hij begin twintig was. En er gaat er nog een heel doordacht werk van Peter Adriaansz, op zijn beurt weer een leerling van Wagemans. Zo ontstaat een stamboom waar de verguisde en gevierde, 101-jarige Willem Pijper onzichtbaar maar glimlachend bovenstaat.”