Nederland kan Europese subsidiemolen niet stoppen

Als een van de laatste lidstaten moet Nederland het besluit over de financiële bijdragen aan de Europese Unie nog goedkeuren. De Tweede Kamer praat er morgen over, maar veel te kiezen valt er niet meer, vreest Derk-Jan Eppink. Terwijl 'nationaal belang' in de buitenlandse politiek onlangs is herontdekt, heeft Nederland zich financieel al uitgeleverd aan Europa.

De Tweede Kamer demonstreert deze week zijn onmacht inzake Europese besluitvorming, als zij praat over het plan om de Europese uitgaven flink te verhogen. Als een van de laatste lidstaten moet Nederland het 'Eigen Middelenbesluit' goedkeuren dat Nederland tot de grootste netto-betaler aan de Europese Unie maakt.

Het bedrag dat Den Haag netto aan Brussel moet overmaken loopt op tot zes miljard gulden in 1999. In totaal betaalt Nederland in de periode 1995-1999 netto twintig miljard gulden. Natuurlijk ontleent Nederland ook grote voordelen aan de Europese binnenmarkt - andere landen hebben deze voordelen ook - maar geen lidstaat moet naar verhouding netto zoveel bijdragen.

De Tweede Kamer heeft een keus uit twee kwaden: het Eigen Middelenbesluit verwerpen en de Europese financiën laten vastlopen, of onder parlementair gemor instemmen. Dat laatste is waarschijnlijk, omdat premier Wim Kok - één van de eerst verantwoordelijken voor de netto-positie van Nederland - het machtswoord zal uitspreken als de Tweede Kamer gaat dwarsliggen. De positie van de Kamer in deze is uitgehold, ook al staat een Europees besluit haaks op het in de Herijkingsnota van minister van Mierlo ontdekte 'nationaal belang'. De cruciale fout is namelijk al veel eerder gemaakt, in de Britse stad Edinburgh, tijdens de Europese Top van december 1992. Daar lieten toenmalig premier Ruud Lubbers en toenmalig minister van financiën Wim Kok, de betalingspositie van Nederland binnen de Europese Unie uit de hand lopen. Op die Top ging het om de Europese financiën tot 1999. Vooral de fondsen voor arme landen zouden flink omhoog gaan; van ruim 23 miljard ecu in 1994 naar ruim 31 miljard ecu in 1999. In feite zijn deze fondsen binnen tien jaar verdubbeld. Vooral de Spaanse premier Gonzalez wierp zich op als spreekbuis van de landen die geld ontvangen. Nadat de EU de landbouwuitgaven begon te verminderen bouwde zij een ander reusachtig subsidiecircuit op. Lubbers en Kok hadden er geen pasklaar antwoord op. De Britten zagen het gevaar wèl in en eisten verlenging van de compensatie-regeling die zij al enige tijd bezaten voor hun te hoge bijdrage. En Duitsland, ook een belangrijke netto-betaler, kreeg een korting.

Maar Lubbers bedong niets voor Nederland. Erger zelfs, hij bagatelliseerde de effecten. “De rekening van Edinburgh is overzienbaar”, zei hij na afloop van de Euro-Top. “Deze zal maximaal oplopen naar 525 miljoen gulden in 1999.” Dit blijkt echter een nettobedrag van zes miljard gulden te worden. Staatssecretaris Piet Dankert meldde in een brief aan de Tweede Kamer van 15 april 1993 dat de gevolgen van Edinburgh “relatief beperkt” zouden blijven. Dat bleek onwaar. Het kabinet had onvoldoende oog voor het 'nationaal belang'. Dat zal een Britse, Franse of Duitse onderhandelaar niet zo snel overkomen.

Het is nooit duidelijk geworden waarom het duo Lubbers-Kok deze zaak liet lopen. Was het naïviteit of ging Den Haag uit van de fictie van het 'Europees belang'? Of kon Lubbers geen weerwerk bieden omdat hij juist de steun van Gonzalez nodig had voor zijn eigen kandidatuur als voorzitter van de Europese Commissie? Of hadden Lubbers en Kok niet in de gaten dat de verlaging van landbouwuitgaven en de verhoging van structuurfondsen zulke dramatische gevolgen zouden hebben? Wellicht weet Kok het antwoord.

In de loop der tijd begon de regering echter wel in te zien dat het 'nationaal belang' had geleden. Lubbers en Kok deden hun best zoveel mogelijk geld uit de Brusselse subsidiepot terug te krijgen, die zij zelf hadden helpen oprichten. Zo kreeg Nederland circa 400 miljoen subsidie voor de ontwikkeling van Flevoland. Lubbers intervenieerde hierbij wel scherp om het bedrag te krijgen.

Ook heeft premier Kok zich sterk gemaakt voor Europees geld om de Nederlandse dijken te verzwaren. Hij klopte, zij het met enig schroom, bij de voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Santer, op de deur. Er werd 240 miljoen gulden vrijgemaakt, maar het bedrag werd door het Europees Parlement 'in reserve' gezet.

In de Tweede Kamer duurde het ook nog enige tijd voordat de portee van Edinburgh doordrong. Merkwaardig is dat de Kamer soms kibbelt over enige miljoenen, maar amper aandacht heeft voor de netto-miljarden naar Europa. Vooral het CDA-Kamerlid René van der Linden klaagde 'Edinburgh' aan. Hij richtte zich tegen de Britse compensatie en tegen de grootscheepse fraude met Europese gelden. Bij de VVD duurde het ook even voordat het 'nationaal belang' opdook. Inmiddels heeft het VVD-Kamerlid Hans Hoogervorst de grootste bezwaren aangetekend.

PvdA en D66 beseffen nog steeds niet hoe het Europese draagvlak in Nederland afbrokkelt. De PvdA-fractie stemt moeiteloos in met het Eigen Middelenbesluit, terwijl zij een hogere AOW-premie voorstelt, met een bijdrage van de gepensioneerden zelf. Ongezien gaat er twintig miljard naar de EU, terwijl wordt voorgesteld de AOW ingrijpend te veranderen. Dat is nu funest voor het draagvlak. Het zal op den duur een publieke aversie tegen Europa creëren.

De zwakste schakel in het opkomen van het nationaal belang zijn de meeste Nederlandse Europarlementariërs. Behalve de kleine christelijke partijen gaan zij uit van een Europese fictie. Zij zien zichzelf, in het pendelcircuit tussen Brussel en Straatsburg, als 'gezanten' van Europa, terwijl Europarlementariërs uit Spanje, Griekenland, Engeland of Frankrijk juist met een scherp oog hun nationaal belang in de gaten houden.

Dat levert merkwaardige taferelen op. Toen in Nederland het debat over het Eigen Middenbesluit begon, zeiden de Europarlementariërs dat “er niets aan te doen was”. Zij vonden dat er nog meer geld naar het Euro-budget moest. Met steun van Nederlandse Europarlementariërs kwam het bedrag voor dijkverzwaring, dat de lobby van Kok had opgeleverd, 'in reserve' terecht. Een Spaanse, Britse of Franse Europarlementariër zou dit niet in zijn hoofd durven halen.

Het is geen wonder dat vorig jaar bij de Europese verkiezingen slechts 35 procent van de Nederlanse stemgerechtigden een stem uitbracht. Parlementsleden die het nationaal belang zo uit het oog verliezen, verliezen elke legitimatie. Altijd komen de Europarlementariërs met dezelfde klaagzang over hun beperkte bevoegdheden. Het Europarlement heeft de begrotingsbevoegdheid, maar doet er niets mee. Al tien jaar komt de Europese Rekenkamer met een waslijst van wanordigheden binnen de Euro-begroting.

Fraude is inherent aan subsidiestromen. Deze maand was het weer raak: het 'blunderboek' liet veel mislukte projecten zien en de Rekenkamer weigerde een verklaring van betrouwbaarheid af te geven. Een kwart van de EU-uitgaven is 'onbetrouwbaar'. Al tien jaar laat het Europese Parlement de 'klaagzang' van de Rekenkamer als een ritueel over zich komen. Ook fraude went. Zo ondermijnt het Europarlement zijn eigen legitimiteit: het spreekt graag over een Europese regeling van dierentuinen, en zelfs met passie over de eigen onkostenregeling, maar gebruikt zijn begrotingsbevoegdheid onvoldoende.

Het Eigen Middelenbesluit is dus niet meer te stoppen. Nederland miste in Edinburgh de boot en parlementsleden in Den Haag en Straatsburg waren niet alert. Het prijskaartje is hoog. En de les belangrijk: wie tijdens de onderhandelingen het momentum mist of van ficties uitgaat, is de klos.

Voor onderhandelingen over de Euro-begroting ná 1999 is dat van belang. Europa maakt zich op voor een slag om de subsidies. Zuid-Europa wil de geldstroom op gang houden; Oost-Europa wil eveneens uit dat vaatje tappen. Dat zou de Europese financiën doen exploderen. Nederland moet dus tijdig een coalitie aangaan met andere netto-betalers in de EU om herhaling van het fiasco van Edinburgh te vermijden.