'Ik heb het nog steeds ontzettend naar mijn zin'

“Wil de politie goed werk leveren, dan moeten de agenten op straat gemotiveerd zijn, inzet en initiatief tonen. Ik ben bang dat die betrokkenheid en dat enthousiasme bij een hele hoop mensen verdwijnen, wanneer de overheid zo gigantisch op de salarissen gaat korten, zoals dreigt te gebeuren. Uiteindelijk wordt de burger er dan het slachtoffer van. Ik maak me zorgen over de kwaliteit van het toekomstige politie-apparaat. Want ik kan me voorstellen dat het sterk verlaagde loon nieuwe, geschikte mensen afschrikt. Momenteel verdien ik goed genoeg, 2300 gulden netto per maand, maar als die vaste onregelmatigheidstoeslag eraf gaat, denk ik daar natuurlijk anders over. Dan ga ik terug naar 2050 gulden en zit nog maar zo'n 200 piek boven het minimumloon. Dan is de balans tussen werk en salariëring niet meer in evenwicht.

“Aan huur, inclusief water gas en licht, ben ik bijna 900 gulden per maand kwijt. Als agent heb ik een krant nodig, en de telefoon. De auto inleveren? Die kan ik niet missen. Hoe moet ik 's avonds laat van mijn werk naar huis? Dat kan niet met de fiets. Een taxi? Vergeet het maar. Als je zoals ik binnen Breda woont, is er zelfs geen sprake van een reiskostenvergoeding. Dus kocht ik voor duizend piek een oud Renaultje, een bromfiets met een dakje zeg ik altijd. Hij viel al vaak stil.

“Elke maand draai ik drie nachtdiensten, van elf tot zeven uur 's ochtends. Zeven keer heb ik een late dienst, van drie tot elf uur 's avonds, en vier keer ben ik er vroeg: van zeven tot drie uur 's middags. De andere dagen heb ik dagdienst, begin ik om half negen. Dat onregelmatige werk heeft zijn nadelen. Een van de belangrijkste is het lichamelijke aspect. Je merkt aan je lichaam, aan je gezondheid, dat je onregelmatig werkt. Bij mij uit zich dat ook in gewichtsverlies. Ik denk niet dat je ooit went aan die wisselende diensten. De nachtdienst is negen van de tien keer gekoppeld aan een vroege dienst: dan ben je dus om drie uur klaar, van drie tot elf ben je vrij en dan werk je tot de volgende ochtend zeven uur. Dan volgt er een slaapdag, die nogal eens wordt verstoord. Is de buurman aan het verbouwen, dan heb ik gewoon pech. Pas waren ze aan het snoeien, ook pech. En er bellen mensen, die niet verwachten dat je in bed ligt.

“Dat onregelmatige werk heeft nog andere nadelen: het verenigingsleven, daar kun je moeilijk aan meedoen. Een sportclub is niet haalbaar voor mij. En stel dat je een feestje hebt of zo, of je wil uit met je vrienden, dan kan lang niet altijd. Ook op feestdagen is het ingewikkeld. Desondanks vind ik het heel erg leuk werken bij de politie, waar ik begin dit jaar als agente begon. In '91 en '92, voor ik naar de politieschool ging, was ik al centraliste op de meldkamer. Echt, ik heb het nog steeds ontzettend naar mijn zin.

“Donderdag is de grote actiedag, uit protest tegen de kortingen op de salarissen. In onze regio is er dan nog niets, heb ik begrepen, wij komen later in de estafette aan de beurt. Die acties moeten er zeker komen, maar men moet heel erg goed afwegen wat voor soort acties men voert. Op de televisie zag ik politie-demonstraties in het noorden van het land: fluitende, dansende, zingende en muziek makende collega's. Persoonlijk heb ik moeite met die manier van protesteren. Daar zou ik niet achter staan of aan mee doen.

“In onze regio, in Tilburg, hield de politie vorige week een stille tocht. Ik voel me meer aangetrokken tot andere vormen van actie. Ik ben voor werkonderbrekingen. Bijvoorbeeld op de dag dat NAC in Breda een belangrijke wedstrijd speelt. Die wedstrijd moet dan worden uitgesteld. Dat heeft veel meer effect dan met toeters en bellen de straat op gaan. Toeters en bellen wekken naar mijn idee een verkeerde indruk bij de burgers. De uitstraling naar buiten moet goed zijn. Dat is belangrijk.”