Frankrijk worstelt met zijn toekomst

PARIJS, 28 NOV. Met twee man en een oude mistlamp op de rails brengen zij de snelste TGV tot stilstand. Frankrijk is weer onbegaanbaar. Treinen, bussen, metro, postkantoren, scholen, stadhuizen, ziekenhuizen, mijnwerkers en studenten. Alles staakt. Steeds meer lopen de motieven voor onvrede en verzet door elkaar heen. Met een nieuw gekozen president in het Elysée is de vraag iedere actiedag klemmender: wie staakt tegen wie?

De geschiedenis herhaalt zich zelden, maar soms lijkt het er op. Wat elf winters geleden de Britse mijnwerkers voor Groot-Brittannië deden, lijken nu de 180.000 werknemers van de Franse spoorwegen voor Frankrijk te presteren: een conflict uitvechten dat de worsteling symboliseert van een land met zijn toekomst.

Met Arthur Scargill en zijn National Union of Mineworkers is het niet goed afgelopen. De meeste mijnen in Groot-Brittannië zijn dicht en de resterende mijnwerkers hebben sinds het heroïsche conflict de keus uit meer dan één vakbond - de klassestrijd is niet meer automatisch in het lidmaatschap inbegrepen.

De Franse spoorwegen, de trotse SNCF, gaan niet dicht. Maar met de overwogen sluiting van 6.000 onrendabele kilometers spoorlijn, dreigt Frankrijk weer een heel stuk provincie op slot te doen. De Franse spoorwegemployés denken vooral aan hun beroepstrots en hun pensioen, maar al doende maken zij zich tot tolk van al diegenen die 'hun Frankrijk' zien verdwijnen. Ergens tussen modernisering en een liefde voor de Franse manier van veilig en prettig leven is het land de koers kwijt geraakt. De overige leden van de Europese Unie kijken ademloos toe. Zonder Frankrijk geen economische en monetaire unie.

Het was geen toeval dat premier Juppé gisteren, aan de vooravond van een nieuwe stakingspiek, in zijn stad Bordeaux er voor koos een aanval op de supermarkt te doen. Het verschijnsel van de grandes surfaces, de duizenden vierkante meters winkeloppervlak van super- en hypermarché heeft 60 procent van de Franse voedselverkoop naar zich toe getrokken - ten koste van kleinere winkels in goed bewaarde binnensteden en ten koste van een levensgevoel waar Fransen in al hun tegenstrijdigheid diep aan gehecht zijn.

Al die dierbare gevoelens voor dorpse verhoudingen komen niet voort uit een nostalgisch komplot. Het zit diep, het gaat over het hele leven op een manier waar veel 'pragmatische' volkeren niet aan toe komen, en het heeft consequenties die niet onschuldig zijn. De opkomst van extreem rechts, dreigender dan in de rest van Europa, en verder doorgesijpeld in de betogen van 'gewoon rechts', is een directe uiting van die immense worsteling waar Frankrijk in verwikkeld is.

Sinds de socialisten in 1983, na twee jaar utopische economie, zijn begonnen Frankrijks sociaal opgetuigde en etatistisch georiënteerde economie aan de D-mark te koppelen, is er veel veranderd. De handel met het buitenland is vrij gemaakt, de inflatie is beteugeld en heel wat bedrijven zijn, na een hernieuwde periode in staatshanden, de verjongde markt op gegaan. De prijs is betaald met een hogere rente en meer werkloosheid dan het in stilte aanbeden voorbeeld aan de overzijde van de Rijn. In het klimaat van onvrede dat die extra werkloosheid heeft gecreëerd, hebben de extreem nationalistische en racistische lokroepen van uiterst rechts kunnen gedijen.

Paradoxaal genoeg is het die aantrekkingskracht van een geborneerde denkwereld, die een terugtrekking van Frankrijk in zichzelf voorstaat, die het iedere centrum-rechtse regeringscoalitie vrijwel onmogelijk maakt de staat en de economie te moderniseren. Nu president Chirac en premier Juppé, na vijf maanden spelevaren, hebben besloten alle problemen tegelijk aan te pakken, kan de kladderadatsj niet uitblijven. Frankrijk heeft niet voor niets vrij veel revoluties gehad. De optelsom van traditie en individualisme is er sterker dan de mogelijkheid van evolutie.

De regering heeft gelijk. De Franse spoorwegen hebben een onhoudbaar gunstige pensioenregeling. Met 50 of 55 jaar gaat iedereen weg, volop doorbetaald wegens zware en gevaarlijke diensten, ook al zit maar 10 procent op de trein. Het is desondanks begrijpelijk dat in een bedrijf, dat meer met een grote familie wordt vergeleken, de vlam in de pan slaat als tegelijk tienduizenden ontslagen, een omslag naar marktgericht opereren en een hele waslijst aan landelijke salaris-bevriezingen en premieverhogingen worden aangekondigd. Het is niet de eerste onhandigheid van de regering-Juppé. Bepaald ironisch is het dat de belangrijkste reden voor de miljardenschulden van de SNCF natuurlijk het supersnelle TGV-net is. De prijs voor dit technologisch paradepaard is hoog; in de staatseconomie zoals die nu op het spel staat heiligde het doel het gebrek aan middelen.

De vakbondsdichtheid in Frankrijk is, ook zonder een Margaret Thatcher, teruggevallen tot onder de tien procent. Behalve bij de overheid, en in het bijzonder: de spoorwegen. Vandaar dat allerlei ogenschijnlijk van elkaar verwijderde lijnen tussen gisteren en morgen elkaar vandaag kruisen op de lege perrons van de SNCF. Zoals vaker: los van de rumoerige verpakking, snijdt Frankrijk problemen aan die meer Europese landen raken.