Critici maken karikatuur van ontwikkelingshulp

Ontwikkelingshulp ligt steeds meer onder vuur als een bron van verspilling. Maar Paul Hoebink vindt dat de critici zich bedienen van grove simplificaties. Er moet eens worden gelet op de successen van de hulp, want die zijn er ook.

Voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis is er in Nederland een groeiende weerstand te zien tegen ontwikkelingssamenwerking. De vermeende eenstemmigheid onder de voorstanders van een ruimhartige ontwikkelingssamenwerking en het idee dat ontwikkelingshulp al jaren zoiets is als een 'heilig huisje' leiden tot drieste uitvallen en forse simplificaties. Het hoofdredactioneel commentaar in deze krant van 8 november kan daarvan een illustratie zijn.

Een eerste simplificatie is dat het grootste deel van de ontwikkelingsprojecten zou zijn mislukt. De drie landenrapporten van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking van vorig jaar zomer worden - feitelijk ongelezen - op een hoopje gegooid en de conclusie luidt: een en al mislukking.

Men zou die rapporten - na lezing - ook met een ander oog kunnen bekijken. De conclusie zou dan zijn: gezien de fysieke en economische beperkingen heeft Nederland in Mali een succesvol hulpprogramma, het programma in India vertoont wisselende resultaten, het hulpprogramma in Tanzania vertoont een overwegend negatief resultaat.

Dat leidt naar de tweede simplificatie: linkse hobbyisten zouden de hulp aan Tanzania sterk hebben opgevoerd, terwijl de projecten stuk voor stuk door het Tanzaniaanse socialistische beleid mislukten. Het probleem voor de Tanzanianen was dat er geen industrie en banken waren. Van de mogelijke actoren die er waren om die industrialisatie op gang te brengen, was alleen de staat aanvaardbaar. De mogelijk andere actor, de groep van Indiase zakenlieden, werd uit het oogpunt van nationale integratie stilzwijgend afgewezen.

Die grote rol voor de staat bij economische ontwikkeling hoeft geen probleem te zijn (zie Zuid-Korea, zie Taiwan), maar dan moet er wel voldoende technische en managementscapaciteit aanwezig zijn. Bij de onafhankelijkheid was er in Tanzania slechts een dertigtal Afrikanen dat een academisch beroep uitoefende, van wie de helft artsen en slechts één jurist en één ingenieur. Eén van de zeer geslaagde aspecten van de ontwikkelingssamenwerking met Tanzania is dan ook dat er inmiddels tienduizenden Tanzaniaanse academici opgeleid zijn.

Ik denk niet dat diegenen die de hulp aan Tanzania onder vuur nemen vanwege vermeend links hobbyisme, in staat zijn ook maar één hulpproject te noemen dat door toedoen van het Tanzaniaanse socialisme is mislukt. Het lage ontwikkelingsniveau en de grote ruimte voor donoren om ook hun commerciële belangen in de hulp door te zetten, waren de belangrijkste factoren die bijdroegen aan het relatief grote aantal mislukte projecten in het land. Dat geldt voor alle donoren, dus ook voor hen die niet direct met eenoog op het socialisme Tanzania veel hulp gaven, zoals de Verenigde Staten en de Wereldbank.

Een derde simplificatie is het onderscheid in Derde-Wereldlanden met een goed, met een slecht en met een zich omvormend economisch beleid. Zijn er dan geen landen met een op papier 'slecht' economisch beleid die in economische zin zeer succesvol zijn (zoals China), of met een 'goed' economisch beleid die weinig succesvol zijn (landen met geringe hulpbronnen) of landen die al jaren braaf met Wereldbank en Internationaal Monetair Fonds aan het hervormen zijn en alleen maar achteruit hollen (Ghana bijvoorbeeld)? Er zijn zo wel ettelijke andere categorieën of groepen van landen te bedenken. Daarom is het uitermate ongewenst om op grond van zo'n simplistische indeling de vraag te beantwoorden of landen wel of niet hulp zouden moeten ontvangen.

Dat betekent tevens, dat men - de vierde simplificatie - de hulpverlening niet alleen aan het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank kan overlaten. Ten eerste hebben deze organisaties te weinig middelen: in een absoluut topjaar leent het IMF tien miljard dollar aan een grote groep ontwikkelingslanden en in de meeste jaren slechts de helft. Daarnaast zijn ook de leningen van deze organisaties een probleem geworden voor veel ontwikkelingslanden en ontvangen ze momenteel meer aan afbetalingen dan ze uitlenen. Daarenboven geven de meest recente studies van onder meer Britse onderzoekers aan dat het onduidelijk is of de economische programma's van deze organisaties ook echt werken. Interne studies van de Wereldbank tonen aan dat de hulp voor dit soort programma's slechter scoort dan projecthulp.

Laat ontwikkelingslanden die het goed doen dan maar naar de kapitaalmarkt gaan om particulier kapitaal aan te trekken, is tenslotte de vijfde simplificatie. Hier worden de ontwikkelingslanden weer op één hoop gegooid en is er plotseling maar één Derde Wereld. Vergeten wordt dat particulier kapitaal slechts voor enkele ontwikkelingslanden van betekenis is. Nog geen drie procent van de particuliere investeringen in ontwikkelingslanden gaat naar Afrika, terwijl meer dan driekwart gaat naar enkele landen in Oost-Azië. Het omgekeerde geldt voor ontwikkelingshulp: de meeste Afrikaanse landen, sommige Zuidaziatische landen en een serie eilandstaten kunnen op dit moment niet meer zonder ontwikkelingshulp. Ten minste de helft van hun inkomen in buitenlandse valuta bestaat uit ontwikkelingshulp en tweederde of meer van hun ontwikkelingsinvesteringen wordt daarmee gefinancierd.

Men kan het betreuren dat een grote groep ontwikkelingslanden afhankelijk geworden is van hulp. Het zou immers aantrekkelijker geweest zijn, als zij hun eigen inkomen konden verdienen via een vrijer toegang tot de Westerse markt. Het is echter opmerkelijk hoe weinig, als puntje bij paaltje komt, het trade, not aid-principe in de praktijk wordt verdedigd door de zelf geproclameerde voorstanders ervan. Ik heb althans de heer Bolkestein niet gehoord over de recente onderhandelingen van de Europese Unie met Marokko, waar vrijer markttoegang voor produkten uit dit ontwikkelingsland door een VVD-minister (van landbouw) werd aangevochten. In de praktijk blijken belangen van invloedrijke nationale lobby-organisaties zo'n vrijere toegang tot markten voor de ontwikkelingslanden vaak te belemmeren.

Anderzijds zou men kunnen stellen dat in de jaren vijftig en zestig Zuid-Korea en Taiwan ook in hoge mate hulpafhankelijk waren. Ook bij hen werd bijvoorbeeld het overgrote deel van de importen en ontwikkelingsinvesteringen ermee betaald. In economisch opzicht zijn deze landen daarna toch redelijk succesvol geworden, en ontwikkelingshulp was daarbij een belangrijke katalysator.

Misschien is het tijdstip aangebroken dat men niet louter meer van mislukkingen zou moeten willen leren, maar juist van de successen. Misschien moet de minister van ontwikkelingssamenwerking eerst eens zijn meest succesvolle projecten en programma's laten evalueren Voordat er weer, louter op basis van een analyse van wat er mis liep, nieuwe beleidsveranderingen worden aangebracht.