Alleen maar cellen bouwen voor 'probleemjongeren' is geen oplossing; Overheid moet opvoeders helpen

Twintigduizend jongeren maken zich volgens gegevens van het ministerie van justitie schuldig aan vandalisme, inbraak of ander delinquent gedrag. Zij dreigen als kansloze burgers terecht te komen in een samenleving die niet beter weet te doen dan hen in de cel te zetten.

En intussen is op vele plaatsen een discussie gaande over het gezin: de mate waarin het gezin bedreigd zou zijn, de functies die het gezin heeft of hoort te hebben, invloed van individualisering op gezinnen, enzovoorts.

Wat opvalt in die discussie - zie bijvoorbeeld de bijdrage van Wim Peeters in de NRC Handelsblad van 17 november - is dat het 'normale' middenklasse-gezin de discussie domineert. Centraal staat bijvoorbeeld de vraag of kinderen niet de dupe dreigen te worden van de wens van steeds meer ouders om betaald werk en zorg voor kinderen te combineren.

Evenzeer is een centrale vraag in hoeverre 'afwijkende' leefvormen een bedreiging zijn voor de kwaliteit van de opvoeding. Belangrijke punten, dat wel, maar ook punten waar veel mythevorming over is.

In de PvdA-verkenning 'Moderne gezinnen' die anderhalf jaar geleden uitkwam is ingegaan op de vraag wat opgroeien in één-ouder-, stief-, adoptie- en pleeggezinnen of bij paren van gelijke kunne zou kunnen betekenen. Risicofactoren die vaak genoemd worden, zijn: Ten eerste, voor eenoudergezinnen: de ontbrekende vader of moeder (gebrek aan identificatiemogelijkheden voor het kind); de zware belasting voor de ene ouder. Ten tweede, voor stiefgezinnen: de relatie met de niet-biologische ouder. Ten derde, voor adoptie- en pleeggezinnen: ontbreken van biologische banden, verlangen naar de situatie van herkomst. Ten derde, voor paren van gelijke kunne: ontbrekende identificatie en maatschappelijke afwijzing. Ten vierde, voor kinderopvang: hechtingsproblemen, te weinig sensitiviteit voor het kind.

Er is zeer veel wetenschappelijk onderzoek naar al deze situaties gedaan, maar er is nog nooit doorslaggevend bewijs gevonden voor de veronderstelling dat een van deze opvoedingssituaties op zichzelf slecht voor het kind zou zijn. In feite kan vaak de omgekeerde redenering worden gevolgd: elk van deze situaties kent bijzondere moeilijkheden, en toch gaat het in negentig procent van de gevallen goed. (Dat is hetzelfde percentage als bij 'normale' gezinnen.) Vaak bleek dat problemen niets te maken hadden met het gezinstype als zodanig, maar met factoren die vaak tegelijk optraden, zoals economische achterstand, 'ontkenning van het verleden' of, bij kinderopvang, de kwaliteit van de opvang.

Het succes of falen van een gezin wordt bepaald door het vermogen een aantal essentiële functies te vervullen. De kwaliteit van de relaties binnen het gezin is cruciaal. Is er affectie en vertrouwen, worden gedachten en gevoelens uitgewisseld, heeft men het met elkaar over problemen en over de vraag hoe die op te lossen, en natuurlijk: is er toezicht en controle? Of deze functies goed worden vervuld heeft niets te maken met het type gezin (eenouder of volledig), maar wel met allerlei andere sociale en economische problemen die mensen kunnen hebben.

Als bovengenoemde functies niet goed vervuld worden, en de sociale binding van kinderen met hun ouders dus slecht is, dan neemt de kans op delinquent gedrag sterk toe. Veel van de jongeren die delinquent gedrag vertonen hebben slechts bindingen met andere jongeren die evenzeer delinquent zijn. Ze vormen een subcultuur, één die zich afzet tegen de dominante cultuur. Want met die cultuur, de 'gewone' maatschappij, hebben ze niks.

Een niet gering deel van hen is opgegroeid in een gezin waar ouders zelf tot over hun oren in de problemen zitten. Werkloosheid, armoede, of verslaving houden hen dag en nacht bezig. Dat type gezin heeft het vermogen verloren om op te voeden.

Niet of er in een gezin een of twee ouders zijn, niet de vraag of er buitenshuis gewerkt wordt door een of beide ouders, is bepalend voor de mate waarin kinderen er in slagen bindingen aan te gaan. Bepalend is de kwaliteit van de opvoeding.

Is hier voor de overheid een rol weggelegd? Ik denk van wel. Allereerst is er voor de overheid de verantwoordelijkheid genoemde zorgen van ouders te verminderen. Aan werkloosheid en armoedebestrijding wordt terecht veel aandacht geschonken. En verslaafde ouders, dienen die niet de allerhoogste prioriteit te hebben omwille van hun vaak jonge kinderen? Weghalen van de kinderen is wel het allergemakkelijkste .... voor de overheid. Alles moet hier uit de kast worden gehaald om weer rust in het gezin te krijgen.

In Groot-Brittannië wordt onder anderen aan verslaafde ouders drugs verstrekt. Het is een middel dat je pas op het allerlaatst zou mogen inzetten, maar uitgesloten mag het niet worden. Het kan de brug zijn naar een betere situatie, juist ook voor het kind of de kinderen.

Ten tweede zouden ouders geholpen moeten kunnen worden bij de opvoeding. Het is heel merkwaardig dat in ons land, waar zoveel geregeld is, er zo weinig mogelijkheden zijn voor opvoedingsondersteuning.

Iedere moeder weet dat de verzorgingsstaat over je neerdaalt zodra je je hebt gemeld bij de verloskundige en het kraamcentrum. Heb je genoeg luiers, is de baby-kamer op orde, een hiel-prikje, het consultatieburo? Maar na deze aanvankelijke zorg volgt er niets meer. Toch gebeurt daarna veel met een kind. Niet één kind denkt op z'n zestiende plotseling: 'Kom, laat ik vandaag eens een kraak zetten'.

Opvoeden is niet makkelijk. Ouders die goed opgeleid zijn, weten de weg wel naar RIAGG of opvoedingstelefoon. Maar ouders die niet zo sociaal behendig zijn, blijven met hun problemen alleen rondtobben. Laagdrempelige opvoedingsondersteuning maar ook voorschoolse opvang zoals de opstap-projecten zijn van groot belang. Zoals ook het netwerk waarin een kind opgroeit van groot belang is: de school, de wijkagent, de huisarts. Allemaal kunnen ze problemen signaleren en daar vervolgens wat mee doen. Sommige kinderen zullen met hun gezinnen zeer intensief begeleid moeten worden.

Signaleren en zo nodig bij 'kop en kont' pakken omwille van henzelf en van de samenleving. Cellen zijn nodig, maar een volk dat slechts cellen bouwt, bouwt niet aan zijn toekomst, maar aan zijn verleden.