Shell en PEN

De advertentie waarin Shell probeert zijn positie in Nigeria te rechtvaardigen (NRC Handelsblad, 21 november), vereist twee correcties. De Nederlandse PEN, onderdeel van de internationale schrijversbond, heeft zich sterk ingezet voor de gevangen, nu terechtgestelde collega Ken Saro-Wiwa. Op 20 januari deed ik namens de PEN een beroep op de directie van Shell om haar invloed bij de Nigeriaanse regering aan te wenden. Op 1 februari antwoordde Shell dat het bedrijf niets zou doen. “De zaak tegen de heer Saro-Wiwa is sub judice, en wij zijn mede daarom van mening dat wij er beter aan doen ons van commentaar te onthouden”. Zelfs op de dag van zijn doodvonnis verklaarde de Shell-directie dat zij afzijdig zou blijven.

Als de advertentie nu meldt “Vanuit onze ervaring hadden wij de overtuiging dat stille diplomatie de beste hoop bood voor Ken Saro-Wiwa”, dan voeg ik daaraan toe dat Shell die stille diplomatie steeds heeft geweigerd.

Verder beroept Shell zich op één supranationale instelling, de Wereldbank. Nu heb ik, in het kader van de PEN-bemoeienissen voor Saro-Wiwa, ook de Wereldbank aangeschreven. Ik vroeg of zij in haar contacten de mensenrechten liet meewegen. Het antwoord was negatief, haar mandaat stond dat niet toe; bovendien lieten landen als Nigeria “zich weinig gelegen liggen aan onwelkom advies van de Wereldbank”. Dat Shell een studie van de Wereldbank aanvoert, suggereert een legitimatie van Shells Nigeriaanse bedrijfspolitiek, die dus elke basis mist.