Serviërs Sarajevo: Miloševic heeft ons in Dayton verkocht

SARAJEVO, 27 NOV. “Sarajevo Servisch”, roepen de jongeren. “Geef ons de sancties terug!” Onwennig glibbert de demonstratie door de verijsde straten van een van de Servische voorsteden van Sarajevo, Grbavica. Oude vrouwen op dikke schoenen, wat soldaten, en jongeren met pas geschoren blockhead-kapsels. “Miloševic heeft ons in Dayton verkocht”, zegt een jong meisje. Ze heeft zich voor deze gelegenheid opgemaakt alsof ze naar een bal gaat. Zou zij na vier jaar niet weer eens willen winkelen in de hoofdstraat van Sarajevo? Of naar de disco met haar oude vrienden in plaats van eeuwige opsluiting te eisen in deze grauwe buitenwijk? “Ik wil nooit meer met moslims leven. Servisch Sarajevo blijft van ons”, luidt haar voorgedrukte antwoord.

In het Bosnische deel van Sarajevo heerste de avond tevoren een vrolijke stemming. Overal stonden de televisietoestellen afgestemd op het grote hoofd van Karadzic. In uren durende commentaren riep hij de Bosnische Serviërs op het vredesplan van Dayton te accepteren. “Nu zullen ze daar in Grbavica en Ilidza wel moeten toestaan dat Sarajevo weer één stad wordt”, had de ober in de pizzeria gezegd.

Maar in de Servische wijken en voorsteden van Sarajevo blijkt daar toch anders over te worden gedacht. Hoezo het vredesplan accepteren! “Ook Karadzic is een verrader”, concludeert het meisje. “En een oorlogsprofiteur”, voegt haar vriendin er aan toe. Struikelend lopen ze verder onder de paardedekens die als kogelvangers over de straat zijn gespannen. Dan voel ik een harde klap in mijn rug. Achter mij staat een oudere vrouw, met een gele muts als een wollen banaan op haar hoofd. “Er valt hier niets te lachen”, zegt ze. “We zullen sterven.” Ze trekt aan mijn jas en tiert en slaat. “Het is jullie schuld! Het is de schuld van de pers dat we worden uitgeleverd aan de moslims. Kijk nu hoe we eraan toe zijn.” Plotseling houdt ze op met slaan en barst in een hevig snikken uit.

Bij het Servische checkpoint waren ze die ochtend heel vriendelijk. De commandant bood zelfs aan om persoonlijk met het hoofdkwartier in Pale te bellen. Natuurlijk, het gaat niet zomaar. Journalisten uit het vijandige 'Turkse' deel van de stad moeten niet denken dat ze zomaar de 'Servische Republiek' kunnen binnenrijden. Maar voor deze keer moest de wereld toch zien welk onrecht de Serviërs van Sarajevo wordt aangedaan, zei hij.

Al om zeven uur 's ochtends hadden we onze eerste poging gewaagd. Langs het door Franse blauwhelmen bewaakte niemandsland dat het vliegveld van Sarajevo is. Het spookachtige landschap van de verlaten frontlijn. Een vliegtuig met zijn neus in de aarde geboord. Huizen waarvan de oorspronkelijke vorm niet meer te traceren is.

Pagina 5: Miloševic heeft ons verraden

Heen en weer gaan we tussen de checkpoints van Grbavica, en het verderop gelegen Ilidza. We praten en smeken en wachten weer. Dan gaat om halftwaalf eindelijk de slagboom omhoog. Daar rijden we, zomaar dat deel van de stad binnen dat vier jaar lang alleen met een honderden kilometer lange omweg via Belgrado en Pale te bereiken was.

Langs de weg lopen kippen en schapen. Opgestapelde rioolpijpen vormen barricades tegen de vijandige bommen. Maar in tegenstelling tot de rest van Sarajevo zijn de huizen hier nog vrijwel allemaal intact. Een vrouw in een roze peignoir duwt een karretje met kool voor zich uit. “Zoveel problemen”, zegt ze, en begint onmiddellijk te huilen boven haar bevroren snor.

Op het vierkante pleintje tussen de flats hebben zich inmiddels zo'n duizend mensen verzameld. Een jonge vrouw op het podium spoort de 'massa' aan. Achter haar enkele granaatscherven en kogelhulzen die tot kunstwerk zijn omgebouwd. “Zullen we Sarajevo ooit verlaten”, vraagt ze. Neeee, roepen de mensen. “Waarvoor willen we sterven?” Voor Sarajevo! “Sarajevo Servisch?” Jaaaa. Dan weer een vrolijk wijsje Servische volksmuziek.

Zo gaat het nu al meer dan een uur. Langzaam begint de muziek te vervelen. De ophitsvrouw kan het tempo er niet meer inhouden. Vooraan beginnen de jongeren met elkaar te babbelen, terwijl er een gedicht over de Servische heldenmoed wordt voorgelezen. Maar achteraan blijven de ouderen huilen. Mannen en vrouwen snuiten zakdoeken vol in de kou. Waarom huilt hij nu, deze man met zijn berenmuts? “Ik huil om Servië”, zegt hij en verslikt zichzelf in een nieuwe golf. En zij dan, die kittige vrouw met haar paardestaart. Waarom huilt zij? “Mijn broer is vermoord door de moslims. En mijn andere broer is gewond geraakt. Daarom huil ik.” Na zoveel offers van het Servische volk, zegt ze, wil de wereld opnieuw Serviërs onder het gezag plaatsen van een 'terroristische staat'. “Nooit!”, zegt de vrouw. “Ik zal liever sterven.” En met haar strijdbare blik lijkt het of ze het meent. “Ik heb drie jaar bij Alija (Izetbegovic) geleefd”, valt een andere vrouw haar bij. “Zelfs dood ga ik niet meer terug.” Wat hebben de Bosniërs haar gedaan, willen we weten. “Elke dag granaten”, gebaart de vrouw. Ze is bang, doodsbang om terug te gaan. “Maar dat waren Sérvische granaten”, werpen we tegen. De vrouw luistert al niet meer en scandeert met de massa mee: 'Sarajevo Servisch'.

Redeneren heeft geen zin. De boodschap van de Serviërs van Sarajevo is duidelijk: vrede is best, maar geen verenigd Sarajevo onder Bosnisch bestuur. “Ze kunnen tekenen wat ze willen. Wij zullen in Sarajevo onze huizen verdedigen”, voorspelt een soldaat. Dat betekent dus dat hij weer oorlog wil? De soldaat wijst op de foto van legerleider Mladic, “Miloševic heeft ons verraden, Karadzic ook.” Maar hij, Mladic, de dappere Servische krijger, zal de 40.000 Serviërs van Sarajevo redden, weet de soldaat. “Dat is de reden waarom hij sinds Dayton nog niet heeft gepraat”, fluistert hij.

Tegen drie uur 's middags loopt het plein leeg. Ik besluit van de gelegenheid gebruik te maken om een kijkje te gaan nemen in het Servische hoofdkwartier in Pale. Wie weet. De tocht voert langs dik besneeuwde dennenwouden. Hier en daar wat Servische stellingen. Als vriendelijke boskabouters steken soldaten hun baardige hoofden uit de houten camouflageposten naar buiten. In Pale heerst dezelfde sfeer. De rust van skivakanties en de geur van houtvuren. Maar onder het vreedzame oppervlak broeit de spanning. “Drie minuten hebben ze de tijd om weg te komen”, beveelt Sonia Karadzic. Ze is de dochter van de Bosnisch-Servische leider en ze regeert met ijzeren hand het Bosnisch-Servische perscentrum. Geen journalisten uit Sarajevo. Geen interviews, geen pottenkijkers. “U moet begrijpen. Wij hebben onze procedures”, zegt de secretaresse in het houten chalet.

Op de terugweg naar Sarajevo staat de halve maan boven de stad. Vanavond zal het feest zijn in Bosnisch Sarajevo: ter ere van het vredesakkoord wordt voor één avond het uitgaansverbod opgeheven. Tot diep in de nacht zal er worden gedanst en gedronken. Dan moet ik weer denken aan de jonge Griekse huurling die ik die middag op het plein in Grbavica ontmoette. Hij had luid geklapt toen een vertegenwoordiger van de Griekse regering de Serviërs van Grbavica beloofde dat de 'internationale samenzwering tegen de christelijk-orthodoxe volken van de Balkan met alle middelen zal worden tegengehouden': “We zullen Sarajevo niet verlaten wegens een of ander akkoord.”

Vriendelijk was de jongen geweest. Hij bood me aan om met hem mee te gaan naar de plek waar hij de afgelopen jaren had 'gewerkt'. We beklimmen het betonnen trappenhuis van een hoge flat. Daar, helemaal op de bovenste verdieping is zijn uitkijkpost. Beneden de brede boulevard waar tientallen inwoners van Sarajevo de afgelopen jaren door Servische sluipschutters zijn vermoord. Wat dacht deze 26-jarige rechtenstudent uit Kreta als hij weer een burger raakte? “Niets”, zegt de sluipschutter. “Ik vergeet het meteen.” Alleen zijn eerste dode herinnert hij zich nog. “Ik heb hem een kans gegeven om te leven. Maar die wilde die kans niet omdat hij inhalig was.” De man rende met een paar conservenblikken in zijn armen naar de overkant van de boulevard. Eén van de blikken viel uit zijn armen. En hoewel hij moest weten dat sluipschutters hem in het vizier hadden, ging hij terug om het blik op te rapen. “Toen heeft hij zijn leven dus aan mij gegeven”, concludeert de Griek.