Schaamte om armoede in een rijk land

In Nederland is het contrast tussen arm en rijk in de afgelopen tien jaar steeds groter geworden. Dat vindt zijn oorzaak in de economische expansie en de toegenomen individualisering. Nu is de armoede onder de eigen bevolking - nadat de Verenigde Naties 1996 hadden uitgeroepen tot 'internationaal jaar voor de uitroeiing van de armoede' - probleempunt nummer één verklaard.

Veertien jaren in de bijstand hebben mevrouw L. Springer uit Haarlem inventief gemaakt. Op zondag eet ze “haar buik rond bij familie”, zodat ze op maandag en dinsdag genoeg heeft aan een enkele boterham. Als ze kennissen bezoekt, stelt ze uit haar eigen tuintje zorgvuldig een bos bloemen samen. Met Sinterklaas kan ze geen cadeautjes voor de kleinkinderen kopen. Om de pret niet te bederven, mochten de kleinkinderen ooit voorwerpen uit haar huis in mooi papier pakken en vervolgens aan elkaar geven. “Hadden we toch wat uit te pakken. Daar gaat het toch om?”

Afgelopen maart werd mevrouw Springer 65 jaar. Haar uitkering veranderde - niet langer bijstand maar AOW. Het bedrag veranderde echter nauwelijks; 1262 gulden per maand. Daarvan geeft ze vierhonderd gulden uit aan eten, kleding en kleine dingen. Zeshonderd gulden betaalt ze aan gas, licht, water en verzekeringen. De overige 262 gulden gaan ook schoon op: aan afbetaling van schulden, gemeentelijke belastingen, onderhoud aan het huis of kapotte huishoudelijke apparatuur. Sparen is onmogelijk, zegt mevrouw Springer. Sociale activiteiten (“mijn uitjes”) heeft ze al jaren geleden geschrapt.

Armoede is 'in'. Nationale en internationale organisaties en beleidsmakers erkennen om het hardst het bestaan van armoede in de rijke, westerse wereld. De Verenigde Naties hebben 1996 uitgeroepen tot het 'internationale jaar voor de uitroeiing van de armoede'. De Nederlandse politiek heeft armoede bovenaan de agenda gezet. “Eigenlijk moeten we ons schamen dat er in het rijke land armoede heerst”, zei minister Melkert (sociale zaken) afgelopen vrijdag. Het kabinet presenteerde toen de nota 'Armoedebestrijding'. Uit die nota blijkt dat minister Melkert vanaf 1997 circa achthonderd miljoen gulden uittrekt voor de bestrijding van armoede in Nederland. Mevrouw Springer zal profiteren van de voornemens van de minister van sociale zaken. Haar koopkracht zal over twee jaar met ongeveer 320 gulden stijgen. Melkert wil namelijk vanaf 1997 een speciale aftrek van de inkomstenbelasting voor alleenstaande 65-plussers invoeren. Het jaar daarop zal het kabinet deze zogenoemde ouderenaftrek verhogen. “Armoede in de strikte zin des woords bestaat niet in Nederland”, schreven minister Melkert en staatssecretaris Linschoten eerder dit jaar in hun sociale nota. Toch komen er, aldus de twee bewindslieden, in Nederland financiële en sociale problemen voor die als armoede kunnen worden gekenschetst. Ze doelden op mensen die diep in de schulden zitten of in een sociaal isolement leven. De nieuwe armoede, noemden ze het, en de problemen deden zich voor bij 150.000 à 200.000 huishoudens. De meeste van hen leven van een minimum-inkomen. Ze raken in een negatieve spiraal: financiële tekorten zorgen - samen met trots, onwil of onwetendheid - voor een sociaal isolement. Uit een onderzoek aan de universiteit van Leiden in 1990 bleek dat minima eerst bezuinigen op sociale activiteiten.

Mevrouw Springer heeft veel van haar bezigheden jaren geleden opgegeven. Vroeger borduurde ze vaak met haar vier zusters: ingewikkelde patronen op grote doeken. Zo'n pakket (patronen, lappen en garen) kostte al gauw meer dan honderd gulden. Dat kon Springer niet langer betalen. Ze verzon uitvluchten, wilde voor geen prijs toegeven dat ze het niet langer kon bekostigen. “Dan zouden mijn zusters wellicht voor mij willen betalen. En die liefdadigheid wil ik niet.”

De Interkerkelijke Taakgroep Arbeid (ITA) uit Haarlem gruwt ook van liefdadigheid. “Dozen met levensmiddelen, luiers, zeeppoeder. Het is allemaal goed bedoeld, maar het is zo vernederend”, zegt J. de Groot van ITA. De organisatie, bestaande uit mensen met en zonder uitkering, probeert politiek en publiek steeds op het 'structurele probleem armoede' te wijzen. Daarnaast geven de ITA-deelnemers elkaar morele steun, geen materiele. “We hebben geen pot met geld voor de armen in Haarlem”, benadrukt J. Stevens, lid van ITA en voormalig kloosterling.

Het paarse kabinet mag armoede dan op de politieke agenda hebben gezet, het mag zich niet verheugen in veel steun van de leden van ITA. Zo wijzen ze op de nieuwe algemene bijstandswet die begin volgend jaar wordt ingevoerd. Daarin is onder meer opgenomen dat bijstandsmoeders moeten solliciteren zodra hun kinderen ouder zijn dan vijf jaar. Nu ligt die grens nog op twaalf jaar. Stevens bijt sarcastisch: “Je mag niet eens meer kiezen voor je kinderen.” De Groot voegt toe: “Het kabinet voorop in de strijd tegen armoede? Pfff, ik moet het eerst zien.” Toch is erkenning van stille armoede in de westerse wereld opmerkelijk. Vroeger wezen vooral belangenorganisaties op het probleem, maar meer dan eens werden zij aan de kant gezet. Die politieke erkenning van armoede in Nederland kwam pregnant tot uitdrukking in de troonrede die koningin Beatrix op de derde dinsdag van september hield. “De regering doet een beroep op burgers, bedrijven, andere overheden en maatschappelijke organisaties om gezamenlijk de sociale uitsluiting en stille armoede in onze samenleving eensgezind en met kracht aan te pakken. De noodzakelijke cohesie staat immers op het spel indien grote aantallen mensen zich buiten gesloten voelen”, zei zij in de Ridderzaal. De aanwezigen knikten.

De uitspraken van de koningin waren een logisch vervolg op de sociale top van de Verenigde Naties in Kopenhagen, in maart van dit jaar. In de slotverklaring van deze bijeenkomst stond de erkenning dat armoede ook in westerse landen een probleem is. Nederland ondertekende deze verklaring en bond zich daarmee aan de belofte dat het armoede en sociale uitsluiting zou bestrijden en voorkomen. De nota 'Armoedebestrijding' is een gevolg van die slotverklaring, evenals de uitspraken van premier Kok tijdens de Algemene Beschouwingen. Hij zei te streven naar een samenleving die het “schrille contrast” tussen rijk en arm steeds minder laat zien.

Maar in het afgelopen decennium nam dat contrast juist toe. In de jaren tachtig deden economische expansie en individualisering hun intrede. In dat decennium voltrok zich ook een omslag in het inkomensbeleid, schrijft dr. G. Engbersen, hoogleraar sociale wetenschappen aan de Universiteit van Utrecht, in het boek 'De verdeelde samenleving'. Streefde Nederland in de jaren zeventig naar een meer gelijke inkomensverdeling, in de jaren tachtig zette denivellering de toon. De overheid liet de koppeling tussen lonen en uitkeringen grotendeels achterwege. Zij voerde belastingverlichting voor werkenden door. Zij liet de lonen in het bedrijfsleven vrij. En de vakbonden schroefden vervolgens hun looneisen op, in verband met de grote winsten die werden gemaakt. In die jaren tachtig leefde mevrouw Springer van een bijstandsuitkering van circa 1400 gulden. Ze was toen net gescheiden. Van de vier kinderen woonden er drie thuis. De jongste zat nog op de middelbare school, de anderen betaalden kost en in woning. “Ik vond dat erg vervelend, vooral omdat vrienden van hen minder of helemaal geen kost en inwoning hoefden te betalen”, herinnert Springer zich. Het eerste jaar genoot ze van haar financiële vrijheid (“bij mijn man moest ik om iedere cent vragen”) maar al snel begon de controle van de gemeentelijke sociale dienst te knellen. “Ieder half jaar moest ik mijn hele hebben en houwen op tafel leggen. Alle giro-afschriften, al mijn uitgaven verantwoorden. Ik had het gevoel gevangen te zitten”, zegt Springer. “De gemeente liet mij niet mijn geld uitgeven zoals ik dat wilde.”

Bij de bestrijding van armoede heeft het ministerie van sociale zaken juist een grotere rol toebedacht aan de gemeenten. Het ministerie stelt centrale richtlijnen op, waar gemeenten in veel gevallen naar eigen goeddunken van mogen afwijken. Dat doen ze ook. De Utrechtse wethouder Van der Linden (welzijn) heeft al gezegd dat in haar gemeente bijstandsmoeders met kinderen boven de vijf jaar niet direct hoeven te solliciteren.

Ook verstrekken gemeenten naar eigen inzicht bijzondere bijstand aan mensen met een uitkering; geld voor onvoorziene uitgaven als een bril, speciale schoenen, scholing of begrafenissen. Maar in veel gemeenten wordt die bijzondere bijstand niet opgemaakt. Volgens de lokale overheden zijn de mensen vaak te trots om geld te vragen of weten ze niet hoe de regels werken. De Groot van ITA reageert verontwaardigd. “In Haarlem worden we aan de balie al weggestuurd. Een vriendin kreeg laatst van een een baliemedewerkster te horen dat ze het formulier voor bijzondere bijstand niet mocht invullen. Zo'n medewerkster mag daar niet eens over beslissen.”

Haarlem heeft dit jaar 4,2 miljoen gulden voor bijzondere bijstand gereserveerd, zegt directeur J. Hutten van de afdeling welzijn. “Daar blijft waarschijnlijk 500.000 gulden van over.” De stad telt 5.600 mensen met een RWW-uitkering of bijstand. Zij krijgen dit jaar ongeveer 131 miljoen gulden. Daarnaast heeft de sociale dienst Haarlem nog 6.000 'ex-clienten'. “Van hen hebben wij nog 31 miljoen gulden tegoed”, merkt de directeur fijntjes op. “Nee, een groot deel van dat geld zullen wij nooit meer terugzien.”

De naam van mevrouw Springer is op haar verzoek gefingeerd