Paul Weller: 'Wat nu retro heet, wordt binnenkort de nieuwe stijl'

Met zijn onlangs verschenen cd Stanley Road heeft de Engelse popmuzikant Paul Weller als solo-artiest zijn stem gevonden. Verwijten dat hij retro-pop maakt en teruggrijpt op de jaren zeventig kunnen hem niet meer deren. Op 5 december treedt hij op in Utrecht.

Paul Weller en band: 5/12 Vredenburg Utrecht.

Wie Paul Wellers recente cd Stanley Road naast die van The Beatles' Abbey Road houdt, stuit op een opmerkelijke stilistische overeenkomst. De bewogen foto van een straatnaambord zou een subtiele verwijzing kunnen zijn naar de achterkant van de lp-hoes die in 1969 door sommigen werd beschouwd als het overtuigende bewijs dat Paul McCartney dood was, omdat hij met blote voeten werd afgebeeld op de beroemde foto van The Beatles op het zebrapad vlakbij de Abbey Road-studio in Londen. Geheel toevallig is de Beatles-connectie niet, want Paul Weller riep voor de verpakking van Stanley Road de hulp in van grafisch kunstenaar Pete Blake, die in 1967 tekende voor het hoesontwerp van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band.

Paul McCartney is niet dood, zo mocht Paul Weller onlangs aan den lijve ondervinden. Toen zich op maandag 4 september jl. een groep popmuzikanten in diezelfde Abbey Road-studio verzamelde om als 'Paul Weller and Friends' een bijdrage te leveren aan de benefiet-cd Help voor de kinderen van Bosnië, stond McCartney plotseling op de stoep. Of hij misschien mee mocht spelen? Dat durfde niemand hem te weigeren, te meer omdat er een nieuwe versie van het Beatlesnummer Come Together op het programma stond.

“Nee”, zegt Weller enigszins spijtig, “zijn befaamde Höfner-vioolbas had hij niet bij zich. Wel de gitaar waarop hij ooit zijn partij in Taxman had gespeeld. Er brak een lichte paniek uit toen hij binnen kwam, want hoe gedraag je je als je opeens met een Beatle mag spelen en zingen? Het was een van de meest gedenkwaardige momenten die ik als muzikant heb mogen meemaken. Bovendien was het op de dag nauwkeurig 33 jaar nadat The Beatles op precies dezelfde plek hun debuutsingle Love Me Do hadden opgenomen.”

Terwijl Blur en Oasis elkaar in de haren vliegen over de vraag wie zich 'de nieuwe Beatles' mag noemen, geldt Paul Weller (37) voor veel jonge muzikanten als de grondlegger van de huidige opleving in de Britpop. Al in 1977 roerde hij zich met The Jam, een groep die vanwege het verzorgde mod-uiterlijk en de doorwrochte rhythm & blues-invloeden een buitenbeentje was in het punktijdperk.

Met The Style Council deed hij onder het pseudoniem 'The Capuccino Kid' verwoede en niet altijd begrepen pogingen tot een volwassen muziekstijl waarin elementen van soul, jazz en pop waren vervlochten. Sinds 1992 brengt Weller platen uit onder zijn eigen naam en herinnert zijn muziek aan het popverleden van Small Faces en Traffic. Op Stanley Road heeft de solo-artiest Weller zijn stem gevonden, met nummers als You Do Something To Me waarin diepgang en toegankelijke melodieën hand in hand gaan.

De cd-titel Stanley Road verwijst terug naar zijn jeugd in het slaapstadje Woking, even buiten Londen. “Ik groeide op in een eenvoudige arbeiderswoning en ik maakte me allerlei voorstellingen van de wereld die achter de horizon lag. Als je wilde weten hoe lang een mijl precies was, hield mijn vader me voor, dan moest je naar het einde van onze straat kijken. Muziek was mijn vluchtroute en de punkbeweging bood me die kans. Voordien stonden we met een vroege versie van The Jam al jarenlang rhythm & blues-covers te spelen in de pub om de hoek. Pas toen we aansluiting vonden bij de punk, gingen we voor het eerst naar Londen.”

Hoewel hij zich ongemakkelijk voelt bij zijn rol als peetvader van de nieuwe lichting Britse gitaargroepen, vindt Weller dat er voor het eerst sinds jaren weer eens sprake is van een beetje leven in de brouwerij. “Toen The Jam uit elkaar ging, brachten we een live-album uit dat Dig The New Breed heette. Ik vond dat het tijd werd om plaats te maken voor jong talent. De positie van The Jam werd gaandeweg ingenomen door The Smiths, Stone Roses en nu Oasis. Zelf begon ik steeds minder gitaar te spelen, want bij optredens met The Style Council was daar geen ruimte voor. Mijn liefde voor de elektrische gitaar is nu weer in ere hersteld, vooral omdat ik er geen kwaad meer in zie om inspiratie te zoeken in het verleden. Groepen als The Beatles en The Small Faces staan aan de oorsprong van alles wat nu Britpop wordt genoemd.”

Paul Weller reageert met een cynisch lachje op de vraag of hij altijd een blanke soulzanger heeft willen zijn. “Eén ding is zeker: zwart kan ik nooit meer worden. Alle zangers die ik ooit als mijn voorbeeld heb beschouwd - Steve Marriott, John Lennon, Steve Winwood - waren in sterke mate beïnvloed door soulmuziek. Om doorleefd te klinken heb je veel oefening nodig. Daarom worden echte soulstemmen in de loop der jaren steeds beter.

“Ik ben nog lang niet waar ik zijn wil, maar ook mijn stem is er alsmaar krachtiger op geworden. Van Steve Winwood kun je leren dat een groot artiest geen opgeblazen ego hoeft te hebben. Hij speelde mee op mijn plaat en hij vond het net zo belangrijk als ieder ander, dat zijn partij er goed op zou komen te staan. Een efficiënter muzikant heb ik nog nooit getroffen. Hij ging zitten achter de piano, vroeg naar het akkoordenschema en alles stond er in één keer op.”

Boos kan hij er niet meer om worden, als hij beschuldigd wordt van een hang naar de jaren '60 en '70. “Wat nu nog retro wordt genoemd, zal over een paar jaar de nieuwe stijl zijn. Popmuziek uit de jaren '80 klinkt mij veel gedateerder in de oren, met al die achterhaalde synthesizerklanken en de ijskoude sfeer van digitale apparatuur. Langzaam maar zeker komt iedereen er achter dat het zo slecht nog niet was om echt live te spelen, zonder tussenkomst van technici die zelfs de kleinste foutjes in een opname glad kunnen strijken.

“Ik streef naar het ruige, warme geluid van mijn favoriete rhythm & bluesplaten. Zoals I walk on guilded splinters van Dr. John, dat zich leent voor de meest uiteenlopende coverversies. Van soul door Marsha Hunt tot de harde rockbewerking die Humble Pie ervan maakte. De enige reden waarom ik het heb aangedurfd om dat nummer op mijn repertoire te nemen, is dat we ons er net zo lang op vast hebben gebeten tot we het donkere, dreigende gevoel van het origineel konden benaderen. Het gaat er in de popmuziek lang niet altijd om dat je alles zo mooi mogelijk speelt. Juist als het ruw en onaf is, leeft het veel meer dan wanneer je het met een perfecte begeleiding zou reproduceren. Als ik een trend moet signaleren in de Britse popscene van nu, dan is het de terugkeer van de échte muziek.”