In Nigeria staat meer op het spel dan olie; Shell is behalve een makkelijk ook een verkeerd doelwit; Als Nigeria explodeert, kan het andere landen in zijn val meeslepen

De executie van de schrijver Ken Saro-Wiwa en acht anderen in Nigeria heeft geleid tot woedende reacties en de roep om een olieboycot tegen het land. Maar is dat wel verstandig? Volgens Ferry Versteeg moet de wereld behoedzaam optreden, om een tweede Rwanda te voorkomen.

De recente voorpaginafoto's waren dramatisch genoeg: bewoners van de Niger-delta in Zuid-Nigeria toonden de wereld in hun voormalige tropenparadijs ranzige resten olie-afval. Daarmee maakten zij duidelijk dat hun woongebieden zijn verkracht en verwoest door een club rijke oliemaatschappijen, aangevoerd door Shell. Tegelijk wordt Shell er door actiegroepen van beticht samen te spannen met Nigeria's brute militairen bij het intomen van protesten van de getroffen bevolking, tot de dood - zoals van Ken Saro-Wiwa en acht vrienden - er op volgt. Het enige fatsoenlijke gebaar dat Shell in deze visie nu nog overblijft, is zich zo spoedig mogelijk terugtrekken uit Nigeria. Dat zou tegelijk het begin moeten markeren van een dringend noodzakelijke internationale olieboycot tegen het onzalige land.

Intussen proberen Shells public-relationsdiensten met matig succes de infernale beelden uit Nigeria te nuanceren, op werkelijke schaal te tonen en van context te voorzien. Een voorbeeld: Nigeria is 924.000 vierkante kilometer groot, de hele Niger-delta 70.000 vierkante kilometer en daarvan worden er 220 echt gebruikt door de Shell Petroleum Development Company (SPDC), een joint venture van de Nigerian National Petroleum Company (55 procent), Shell (30 procent), Elf (10 procent) en Agip (5 procent). Het totale oppervlak van het omstreden Ogoni-land is 1.037 vierkante kilometer en daarvan gebruikt de SPDC er daadwerkelijk 7 ofwel 0,6 procent van het totale oppervlak. Beter gezegd: 'gebruikte' want Shell werkt er sinds begin 1993 niet meer wegens geweld tegen zijn employés en installaties.

Shell ontkent dat er sprake zou zijn van grootscheepse milieuverwoesting in de Niger-delta. Sinds 1989 doen zich, volgens het concern, gemiddeld 221 vervuilingsincidenten per jaar voor, waarbij gemiddeld twintig vaten olie worden gemorst op een totale dagproduktie van een miljoen vaten. In de hele Niger-delta werd de afgelopen zeven jaar 28 procent van de vervuiling veroorzaakt door sabotage (om daarna schadeloosstelling te kunnen eisen) en in het opstandige Ogoni-land zelfs 69 procent. Shell erkent dat het opruimen vroeger vaak “onverantwoord lang” duurde maar dat nu wordt gemikt op reiniging binnen 24 uur.

Shell-managers erkennen eveneens dat in de jaren zestig en zeventig leidingen en installaties zijn gebouwd die niet voldeden aan latere milieueisen. Maar die bestonden toen uiteraard niet. Inmiddels loopt er sinds 1993 een 'crash'-innovatieprogramma van enkele honderden miljoenen dollars per jaar dat er toe moet leiden dat anno 1997 geen leiding of installatie meer ouder zal zijn dan 15 jaar.

Daarnaast moet de 'milieu-prestatie' van het concern worden gezien in de context van het 'ontwikkelingsland' Nigeria, zo wordt in het Shell-kamp beklemtoond. “Wij kunnen wel meer middelen vragen voor het milieu maar in het gastland, waar nog heel wat elementaire infrastructuur ontbreekt, stellen onze partners vaak andere prioriteiten”, aldus een Shell-manager. “Dat neemt niet weg dat wij in Nigeria nu ook een eigen programma hebben waarbij nu voor honderd miljoen dollar per jaar in milieuzaken wordt gestoken en voor nog eens twintig miljoen in sociale projecten.”

Daar komt volgens Shell bij dat milieuproblemen niet alleen aan olie-winning kunnen worden toegeschreven. In de Niger-delta groeit de bevolking - veelal in het kielzog van de olie-exploitatie - met 4 procent per jaar, wat weer heeft geleid tot ontbossing en overbebouwing. Daarom nam Shell begin vorig jaar het initiatief tot het 'Niger Delta Environmental Survey', een onafhankelijke studie waaraan behalve Shell negen andere partijen deelnemen, waaronder lokale gemeenschappen, overheid, nationale en internationale milieugroepen en de Wereld Bank. Over een half jaar moet het eerste deel klaar zijn. “Zo kunnen wij een duidelijker zicht krijgen op de problemen en behoeften van de delta”, aldus een Shell-manager.

Shell als semi-charitatieve organisatie? Feit is dat veel milieu- en mensenrechten-organisaties het olieconcern blijven zien als de grote zondebok in de recente Nigeriaanse tragedie. Maar de multinational is behalve een gemakkelijk ook een verkeerd doelwit. Shell brengt de milieustandaarden nu in snel tempo op Westers niveau en het op 3,5 miljard dollar begrote vloeibare gasproject dat onder Shells hoede op stapel staat, is, hoe men het ook wendt of keert, ecologisch een stap vooruit. Natuurlijk verzorgt Shell ook meer dan de helft van de overheidsinkomsten. En vormen die niet de economische kurk waarop een depressief stemmend militair regime drijft? Het vertrek van Shell uit Nigeria, waartoe actiegroepen oproepen, of een effectieve olieboycot kan daarom de doodsteek voor het verfoeide regime betekenen. Prima dus.

Maar wat gemakshalve over het hoofd wordt gezien: het kan evenzeer de doodsteek betekenen voor het hele Nigeriaanse staatsbestel dat zorgwekkende desintegratieverschijnselen vertoont. En als Afrika's grootste natie explodeert, kunnen in zijn val gemakkelijk delen van overig West-Afrika worden meegesleept. Buurlanden en overlappende tribale grenzen genoeg.

Toen Nigeria in 1960 een onafhankelijke nationale staat werd, stonden de bestuurders voor de immense taak om de centrifugale tribale krachten te neutraliseren en de 250 verschillende etnische en taal-groepen in het land met hulp van moderne ideologische en nationalistische noties tot een regeerbaar geheel samen te smeden. Hoe moeilijk dat was, bleek al in 1966 toen het militaire bewind van generaal Ironsi de macht overnam. In 1967 probeerde de oostelijke regio zich onder de naam Biafra af te scheiden. Die poging werd gesmoord in een bloedige burgeroorlog die anderhalf miljoen mensen het leven kostte. Deze ervaring was voldoende om de gedachte aan afscheiding voorlopig op een laag pitje te houden.

Maar het proces van natiebouw bleef haperen. Nigeria slaagde er ondanks enkele oprechte pogingen, zoals de vrije verkiezing van burger-president Shagari in 1979, niet in een stabiel politiek systeem en duurzame nationale instituties op te bouwen. Zowel militaire machthebbers als burger-politici vielen weer terug naar het manipuleren langs etnische lijnen. En dat stimuleerde weer de loyaliteit jegens de eigen etnische groep. Prille nationale sentimenten vervaagden weer. De Yoruba's in het westen, de Ibo's in het oosten, de Hausa en Fulani in het noorden en de 200-plus kleinere stammen daartussen gingen zich weer allereerst als zodanig beschouwen en pas op de tweede plaats als Nigeriaan.

De half miljoen Ogoni's, die in het Zuidnigeriaanse kustgebied temidden van alle oliewinning verstoken bleven van veel elementaire voorzieningen, vormden geen uitzondering op die onheilspellende ontwikkeling. Sterker nog, zij liepen daarin voorop onder de hoede van de charismatische schrijver, ex-minister en projectontwikkelaar Ken Saro-Wiwa. Die had in de jaren zeventig kort na de burgeroorlog al laten weten dat Nigeria zich desnoods in 250 staten zou moeten opdelen, als dat nodig zou zijn om de aspiraties van zijn 250 volken te bevredigen. Twintig jaar later achtte Saro-Wiwa de tijd blijkbaar rijp om autonomie voor zijn Ogoni-land uit te roepen en 10 miljard dollar aan achterstallige revenuen en schadeloosstelling van Shell te eisen.

Hij raakte daarmee de fundamenten van het centrale regime dat antwoordde met harde repressie. Wat de Ogoni-beweging deed splijten in een gematigde tot compromis geneigde groep, en het meer strijdbare, jeugdige deel van de Ogoni-stam. Toen vier gematigde leiders onlangs door aanhangers van Saro-Wiwa werden vermoord, grepen de militairen hun kans en schakelden de Ogoni-leider bikkelhard uit.

Een even harde, internationaal gesteunde reactie tegen Nigeria's militaire machthebbers is emotioneel aantrekkelijk en zou op effectieve wijze kunnen worden gerealiseerd via of door Shell. Maar er zijn langzaamaan redelijk wat aanwijzingen dat in Nigeria niet alleen de positie van een paar brute militaire machthebbers op het spel staat maar een heel (nationaal) systeem. En dan past de buitenwereld behoedzaamheid. In plaats van de botte bijl van een frontale olieboycot is daarom het fileermes eerder op z'n plaats. Met minder draconische maatregelen als wapenboycot, visumbeperking of stopzetting van ontwikkelingshulp. De meeste internationale partijen, waaronder de Europese Unie, kozen tot nu toe voor die meer gematigde middelen. Wat verstandig is. Want wie neemt in Afrika's volkrijkste land de verantwoordelijkheid op zich voor een Rwanda in het kwadraat?