Huurverhogingen

De laatste jaren hebben huurverhogingen bijgedragen aan het ontstaan van betalingsproblemen. Vooral onder het vorige kabinet stegen de huren veel sneller dan de uitkeringen en de gemiddelde cao-lonen. Een drastische bezuinigingsoperatie waartoe toenmalig minister van financiën Kok mede de aanzet gaf, lag daaraan ten grondslag. Het snoeimes ging in de subsidies die woningcorporaties voor de exploitatie van hun sociale huurwoningen kregen. Lagere subsidies betekenden automatisch hogere huren.

Al jaren is het percentage van de huurverhoging hoger dan de inflatie. Bij een ontwikkeling van lonen en uitkeringen die ongeveer het tempo van de inflatie volgt - veel meer zat er de laatste jaren niet in - slokken de huren dus een steeds groter deel van het inkomen op. Het is te zien aan de 'huurquote', het procentuele deel dat een huurder van zijn netto inkomen aan huur betaalt. Deze huurquote is in de periode 1982-1995 gestegen van gemiddeld 15,8 naar 22,8 procent. Ook op de individuele huursubsidie werd de laatste jaren bezuinigd. Dat verklaart waarom de huurquote voor de 900.000 huurders die huursubsidie ontvangen gemiddeld nog hoger is, dit jaar 24,3 procent.

Staatssecretaris Tommel (volkshuisvesting) heeft plannen om de huurlasten voor de lage inkomens te verlichten: een drastische herziening van de individuele huursubsidie, die op 1 juli 1997 ingaat.

De vooruitgang varieert van dubbeltjes en tientjes tot meer dan 100 gulden per maand, zoals uit deze grafiek blijkt. Andere huurders gaan erop achteruit, in het bijzonder huurders met een eigen vermogen. Alleenstaanden met een eigen vermogen van 28.000 gulden krijgen straks geen huursubsidie meer; hetzelfde geldt voor gezinnen met een eigen vermogen van ten minste 56.000 gulden.