Geometrische composities in de choreografieën van Tripos; Bij De Châtel is beschaving eventjes niet vol te houden

Voorstelling: Tripos door Dansgroep Krisztina de Châtel. Solo IV. Choreografie: Krisztina de Châtel. In het voorbijgaan. Choreografie: Conny Janssen. Lines. Choreografie: De Châtel. Gezien: 23/11 Toneelschuur, Haarlem. Aldaar t/m 25/11. Daarna tournee t/m 10/2.

Chique en strak is haar lange blauwe avondjurk, streng opgestoken zijn haar haren. Maar één weerbarstige streng danst voor haar ogen. En die jurk, die blijkt wanneer ze zich omdraait een bijna ongepast eindeloze split te hebben. Hoe anders zou deze vrouw de vrijheid hebben om zo heftig te bewegen? Toch tonen jurk en haar ook wát zij is: in principe gedwongen tot beschaving en beheersing, maar even niet in staat dat vol te houden.

Ordening van emotie is een terugkerend gegeven in het werk van de van oorsprong Hongaarse choreografe Krisztina de Châtel. Zij sluit haar dansers graag op in streng geometrische composities en ontoegeeflijke decors. Hoe verschillend zulke grenzen en hun gevolgen kunnen zijn, is in het drie choreografieën tellende Tripos goed te zien.

De Châtels Lines uit 1979 gunt de vijf dansers nauwelijks ruimte. Opgeborgen in een vierkant van lichtbakken is hen op muziek van Philip Glass nauwelijks meer dan één beweging toebedeeld: zo'n drie kwartier lang tekenen ze met hun rechter teen steeds opnieuw een S op de vloer. Intussen weten ze wel hun opstelling te veranderen in zo'n beetje alles wat een geo-driehoek vermag. De mannen in hun dunne witte pakken zijn ontroerend teder door het tomeloze geduld waarmee ze zich aan die minimalistische exercitie onderwerpen.

In De Châtels nieuwe choreografie Solo IV verschijnt dan die vrouw, als het volmaakte tegendeel van de dansers in Lines. Voor haar geen decor of strenge lijnen, en geen Glass maar Bach. Maar die jurk, het haar, misschien ook wel de daarbij behorende omgangsvormen, zijn voor haar al beklemmend genoeg. Schokschouderend breekt ze uit in schijnbaar ongecontroleerde sprongetjes en tics. Soms wiegt ze als begoocheld met haar hoofd op de muziek, even gaat ze op in een dans van alleen haar blote rug, dan graait en zwaait ze weer verder. Steeds slaat ze haar armen over elkaar in een poging zichzelf in bedwang te houden. En die beheersing wint het uiteindelijk toch van de emotie, wanneer ze gedwee en even plotseling als ze losbrak haar keurige beginpositie weer inneemt.

De grenzen die gastchoreografe Conny Janssen de dansers in in het voorbijgaan oplegt, zijn zelfs vergeleken met Solo IV soepel als elastiek. Toch past zij als gast-choreografe goed in Tripos. Ordening is hier ondergeschikt aan emotie: op muziek van Vivaldi nemen de dansers wel vaste posities in, maar alleen wanneer zij van daaruit goed kunnen zien hoe steeds wisselende paren zich aan elkaar vastklampen. De ander wordt verleid door even kwetsbaar op de grond te gaan liggen, of door heel vaak en in talloze prachtige variaties op zijn rug te springen. Bijna iedere beweging getuigt beknopt en adequaat van grote aanhankelijkheid. Dat gevoelens soms boven vormen gaan laat Janssen overtuigend zien. Dat dat hachelijk is weet ze: ten slotte wordt iemand omver geblazen door wat zwakke pufjes van een danseres. Maar eerder hadden de dansers elkaar zó mooi en behoedzaam opgetild, dat het er niets meer toe deed of ze wat wanordelijk en maar een zinloos klein stukje verder alweer werden neergezet.