Feest in Paramaribo gaat velen voorbij

Een bundel Surinaamse poëzie was het cadeau dat minister Van Mierlo gisteren aan president Venetiaan gaf. Een van 's lands prominente dichters, Jit Narian, aanschouwt de viering van de onafhankelijkheid en ergert zich.

PARAMARIBO, 27 NOV. Op een bescheiden boekenmarkt aan de rand van het feest waarmee Paramaribo de 20-jarige onafhankelijkheid viert, staat hij ironisch om zich heen te kijken. Eén meter zeventig, zware baard, kin vooruit, handen op de rug. Djiet Beldewsingh is in Suriname bekend als de dichter Jit Narian. Tot zijn terugkeer in 1992 was hij een kleine twintig jaar huisarts in Den Haag. “Wat hier gebeurt”, zegt Beldewsingh, met een blikje Heineken in de hand uitkijkend over het Onafhankelijkheidsplein, “zegt weinig tot niets over Suriname. De meeste Surinamers hebben niets met die onafhankelijkheid waarvan ze hier zo hoog opgeven.”

Op de boekenmarkt is de sfeer gereserveerd, maar in de rest van de stad swingt een nonchalante en zwierige menigte. Een beetje koninginnedag is het ook. Kinderen die ballen gooien in de Palmentuin en mannetjes met karretjes die aan de oever van de Suriname-rivier kip en garnalen verkopen. Je kan er zelfs een patatje-oorlog in een rood-wit geruit puntzakje krijgen.

Navrant is het er eveneens. Uit het dak van de gevangenis op het terrein van de militaire politie, in het centrum van de stad naast Fort Zeelandia, is een deel van de bedekking verwijderd, zodat de als varkens levende gedetineerden vanachter tralies een glimp van de feestvreugde op hun netvlies kunnen krijgen - althans, als ze hoog genoeg kunnen springen.

Er lopen veel optimistisch gestemde hoogwaardigheidsbekleders in de straten. “De vrolijkheid is terug”, zegt de Nederlandse minister van buitenlandse zaken Van Mierlo. “En het is meer dan de oppervlakkige vreugde waarmee Surinamers zo gemakkelijk hun smarten verbergen.” Van Mierlo gaf Surinames president Venetiaan als cadeau voor het jubileum een bundel Surinaamse poëzie. “Dat is mijn geheime agenda”, zei hij.

In die bundel staat - naast twee gedichten van president Venetiaan - een groot aantal werken van de hindoestaan Narian. Hij dicht onder meer over de onthechtheid van Surinamers in Nederland en het Surinaamse onvermogen het eigen land in eigen hand te nemen. Hij leeft nu van een huisartsenpraktijk in Uitkijk, district Saramacca.

“De onafhankelijkheid leeft daar totaal niet”, zegt hij. “Ons dorp gaat gewoon door met de dagelijkse dingen. Dat intellectuele gezeur over zelfbeschikkingsrecht, Hollands paternalisme en koloniale schuld zegt die mensen niets. Ze bewerken het land, eten, slapen en bedrijven de liefde. De onafhankelijkheid is een probleem van de grote stad, van Paramaribo. Het is een probleem van de Surinaamse politici die niet met geld kunnen omgaan, de mensen in armoede storten en altijd Nederland van alles de schuld geven. Dit is een leuk feest hoor, maar met de Surinaamse natie heeft het vrij weinig te maken. Het is een constructie.”

Natievorming heeft allang plaatsgehad in het etnisch veelzijdige land, zegt hij. “Mensen voelen zich met elkaar verbonden. In de districten is er zelfstandigheid.” Zelf bleek hij na ruim twintig jaar Nederland toch niet buiten Suriname te kunnen. “Ik had in Nederland ondanks alles voortdurend het idee dat ik er niet bij hoorde. Ik had een gerespecteerd beroep, ik sprak de taal, zong de liedjes en heb zelfs in Leiden nog Nederlands toneel gespeeld. De mensen vielen mij niet lastig, ik viel hen niet lastig. Maar de harde kern van de cultuur bleef moeilijk. Het caféleven, de koffiecultuur, het breng-eens-een-bloemtje-mee. Dan gàf ik wel een bloemtje - maar dat deed me niets. Mijn kinderen hoorden er wel bij, die groeiden erin op. Op een dag zei mijn zoon: ik ben voor Ajax, en jij? Ik was voor niemand. Die dingen gaan steeds verder. Ik eet geen varken, koe of paard. Maar mijn kinderen eten alles. Dus op den duur zeiden ook de kinderen: je hoort er niet bij.”

Terug in Suriname viel hem vooral op hoe weinig schot er zit in de politiek en het bestuur. “Met de maatschappij in de districten gaat het lang niet zo slecht als ze jullie in Paramaribo vertellen. Maar de politieke leiders met hun door creolen gedomineerde cultuur van grootspraak, retoriek en dure dienstauto's wakkeren dat etnische gedoe iedere keer weer aan. Eerst vormen ze bij wijze van spreken het CDA en als er verkiezingen zijn zeggen ze: wacht even, nu weer ieder apart voor het eigen volkje.”

De recente opiniepeiling waaruit bleek dat vooral hindoestanen verlangen naar een terugkeer van de koloniale relatie, is volgens Beldewsingh een uiting van de groeiende afkeer van de politieke elite. “Bouterse is de populairste politicus omdat hij door alle rasbarrières heen breekt. De creolen beginnen altijd weer over de 8 december-moorden maar in mijn district heeft echt niemand het er meer over.”

Intussen wordt, zegt hij, “de Surinaamse beschaving kapotgemaakt” door de cocaïnehandel. “Een simpele jongen woont op een dag in een enorme villa. De politie doet geen onderzoek. Je ziet het keer op keer gebeuren. Plotselinge rijkdom bij mensen die niet over het beroep of de geestelijke vermogens beschikken om er aanspraak op te maken. Het zijn openbare bewijzen van verrotting. Suriname kan dit niet lang meer verdragen.”

Maar Suriname feest. Langs de Waterkant van Paramaribo paraderen massa's mooigemaakte mensen. “Ja”, mijmert hij, “ze zijn mooi. Maar hoeveel zijn er die zeggen: mooi dat Suriname onafhankelijk is?”