Er was pret, dolle, aller- prettigste pret bij Sint

Het voltallig symfonieorkest werd zonder moeite of mededogen overstemd door het enthousiaste geschreeuw uit de kelen van vele honderden kinderen.

Het ronddelen van de bekers met warme chocolademelk en de bijbehorende plakken krentenbrood - “zwart van de krenten, meester!” - kon bij de vele leerlingen van de Amsterdamse armenscholen tijdens het Sinterklaasfeest in het Paleis voor Volksvlijt op meer bijval rekenen dan de muzikale omlijsting ervan. De verslaggever van het Algemeen Handelsblad maakte in december 1873 zijn lezers geïmponeerd deelgenoot van zijn ervaringen: “Lieve hemel, welk een verbijsterend geraas!” En: “over die bruisende zee van joelende kinderstemmen [was] niets, hoegenaamd niets te hooren, dan nu en dan de schelste tonen van de trompet of het doffe gebrom van de basbazuin”.

Ook in de negentiende eeuw was het Sinterklaasfeest bij uitstek een kinderfeest. Maar, waar tegenwoordig pakjesavond vooral een intiem samenzijn is temidden van de huiselijke schare, daar werd vroeger soms het Sinterklaasfeest te baat genomen om ontelbare kinderharten collectief sneller te doen kloppen door die kinderen te onthalen op een grootschalig festijn. De Nicolaasfeesten in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt - het majestueuze gebouw van gietijzer en glas dat vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw het huidige Frederiksplein domineerde, tot het in 1929 ten offer viel aan een van de meest spectaculaire branden uit de geschiedenis van de hoofdstad - spraken wat dat betreft tot de verbeelding, en konden rekenen op warme belangstelling van overheid, schoolbesturen, middenstand en pers. De Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak verrichtte hier (met financiële ondersteuning van de burgerij en in natura geleverde goederen van plaatselijke winkeliers) volgens menig tijdgenoot een 'schoone daad' door enige warmte te brengen in het kille bestaan van deze jonge mensen, veelal afkomstig uit de onderkant van de samenleving.

Naar ras of geloof werd niet gediscrimineerd. Natuurlijk, het Sinterklaasfeest was van oorsprong een rooms feest, maar belangrijker werd het feit gevonden dat Nicolaas de beschermheilige was van Amsterdam - van tout Amsterdam. De ontkerstening van Sinterklaas was duidelijk in volle gang. De kindermassa werd vanaf vijf uur 's middags gefêteerd op een gevarieerd feestprogramma. Eerst en vooral waren er de lekkernijen, uitgeserveerd door dertig bedienden: trommels vol 'spikkelaas', krentenbrood en overheerlijke chocolademelk - “Hoe weinigen onzer weten, welk eene beteekenis dit woordje heeft voor kinderen eener kostenlooze school!” De verslaggever van het Algemeen Handelsblad kon zich niet precies meer herinneren hoeveel vaten melk de 'Sjokoladejuffer' had gekookt. Waren het er zestig geweest, of zelfs tachtig?

Het grote aantal kinderen stond een ordentelijk verloop van het programma niet in de weg. De middenbeuk van de enorme Paleiszaal zat vol opeengehoopte feestgangers, maar deze waren “netjes gerangschikt en afgedeeld, iedere school op haar eigen plaats en onder eigen bevelhebbers met het nommer der school op een boven allen uitstekend bordje”. In de zijbeuken en -zalen stonden de tafels met geschenken al naar de kinderen te lonken. “Zingende en dansende, maar voor het overige in volmaakte orde, trok school voor school langs de welbezette tafels. Op de tenen stonden ze, met lang uitgerekte halzen, om in het voorbijgaan te ontdekken, welk nommer op de pakjes overeenkwam met het nommer, dat ze in de hand of om den hals hadden.” Maar het geduld werd nog even op de proef gesteld.

Na de obligate Sinterklaasliedjes speelde het Paleisorkest een ouverture. Het toneelgordijn ging open en de kinderen werd een blik gegund op een geschilderd bostafereel. “Hoe weinigen dezer kinderen zagen ooit een bosch, zelfs een geschilderd bosch!” vroeg de verslaggever zich ontroerd af. “En hoe kan men een denkbeeld geven van dien éénen kreet van verrukking uit honderden keeltjes, die nu weerklonk door het Paleis? Ik geloof niet dat ik ooit oud genoeg zal worden, om dien éénen kreet te vergeten.”

Figuranten in Oosterse gewaden, een mechanische olifant en de Goedheiligman in eigen persoon gaven acte de présence. De kinderen klommen in hun enthousiasme op stoelen en in pilaren, “er was geen zit meer in te krijgen”. “Er was pret, dolle, allerprettigste pret. (-) De verstoktste stoïcijn zou bij al dat plezier zich bewogen hebben gevoeld en met een barstend hoofd hebben gelachen (-) tot tranen toe.”

Of wij, meer dan een eeuw later, onze kinderen op pakjesavond ooit zó blij kunnen maken als de Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak dat deed bij deze armelui's kinderen? Als je de beschrijving mag geloven, lijkt het uitgesloten dat onze poppen die zo realistisch kunnen poepen en plassen, onze knapste spelcomputers en onze fleurigste flippo's ooit zoveel oprecht klein geluk kunnen bewerkstelligen. Of je dat moet betreuren is een geheel andere kwestie.