Een rituele reiniging

Het was een meer dan tegenstrijdig verlangen dat werd geuit in een bomvol zaaltje ergens in Paramaribo. Het debat ging over twintig jaar onafhankelijkheid en een der sprekers zei het eerlijk: “Wat het meeste pijn doet is de verwarring in ons hoofd. We hebben onze identiteit als volk niet gevonden en Nederland moet ons daarbij helpen. Wat weerhoudt onszelf om van dit land iets moois te maken?” Dat is waar, want het debat over twintig jaar onafhankelijkheid ging alleen over Nederland. Iemand zei met een half-bewuste ironie: “Ik ben blij dat we hier vanavond op Nederland mogen afgeven, dat is de winst van de onafhankelijkheid.”

Nederland en Suriname onderhouden een ambivalente relatie en het is de vraag of het heel anders had kunnen gaan in deze eerste twintig jaar. In menig opzicht gaat het om een ongelijke, maar wederkerige afhankelijheid tussen beide landen. Alles verkeert in zijn tegendeel door de last van een lange koloniale geschiedenis: betrokkenheid wordt tot bevoogding, afzijdigheid is een vorm van onverschilligheid. Uit veel wat geschreven of gezegd wordt over Suriname en Nederland blijkt een bijna wanhopig verlangen om veel zuiverder relaties te onderhouden.

Er zijn twee wegen denkbaar die naar eenduidige betrekkingen zouden kunnen leiden. In de ene visie moet gestreefd worden naar een ontvlechting van Nederland en Suriname. Door een enorm bedrag toe te zeggen bij de onafhankelijkheid heeft Nederland Suriname 'gehospitaliseerd'. De voorstanders van een echte zelfstandigheid zeggen dat Nederland en Suriname aan elkaar verslaafd zijn geraakt en dat de 'overgangssituatie' die nu al twintig jaar duurt tot in lengte van dagen kan voortduren. We moeten ons bevrijden uit de fuik van bilaterale betrekkingen waarin oude verwijten telkens nieuwe mogelijkheden doorkruisen. Het zou een ideale situatie zijn indien Suriname en Nederland voor elkaar willekeurige buitenlanden zouden worden.

De andere visie wil juist een politiek van vervlechting die uitloopt op een nieuw staatsrechtelijk verband, een reïntegratie van Suriname in het koninkrijk. Suriname is zijn middenklasse goeddeels kwijtgeraakt door grootscheepse migratie richting Nederland, en een land zonder middenklasse is gedoemd. Pas als de rechtsstaat, de gezondheidszorg, de munt en het onderwijs weer op poten zijn gezet zal het vertrouwen van deze middenklasse in het land weer enigszins worden hersteld. Dat kan niet met de politieke elite van Suriname, die incapabel is en dus moet herstel van de staatsrechtelijke relatie, een dramatisch symbool, in deze optiek uitkomst bieden.

Beide wegen lijken niet begaanbaar en misschien richt een geforceerd streven naar helderheid vooral schade aan. Het is een merkwaardige parallel, maar toch zou de relatie tussen de beide Duitslanden na de bouw van de Muur in een opzicht een voorbeeld kunnen zijn. In die jaren was de gouden regel dat tussen beide landen veel mogelijk was, zo lang maar niet werd geraakt aan de gescheiden soevereiniteit. Iedereen wist dat zodra alle nadruk gelegd zou worden op een formele hereniging het hele netwerk van betrekkingen uiteen zou worden gescheurd.

Over reïntegratie van Suriname in een Gemenebest, zoals Lubbers, Bolkestein en Pronk op verschillende momenten hebben gedaan, kan beter niet gesproken worden. Zeker als daarbij vergeten wordt aan de Nederlandse bevolking voor te houden welke de gevolgen van zo'n stap zijn. Wat stelt men zich bij zo'n Gemenebest eigenlijk voor: één staatshoofd, één leger, één munt, één sociaal zekerheidsstelsel, één paspoort, vrij personenverkeer? Bovendien roepen dergelijke speculaties in Suriname verwachtingen op waarvan onzeker is of ze ooit worden nagekomen. Het is helemaal de vraag of er in Nederland wel een meerderheid voor herstel van de formele band te vinden zou zijn.

Rekolonisering van Suriname is geen verstandige weg, te meer daar het een uitnodiging tot zelfverloochening is aan de Surinaamse bovenlaag. Tegelijk is het ook niet zo dat Suriname en Nederland willekeurige buitenlanden voor elkaar zijn of zouden moeten willen worden. Dat heeft minder te maken met een groot Nederlands belang in Suriname, zoals in Paramaribo vaak wordt verondersteld. Bij velen kan men een overschatting beluisteren van de economische of geopolitieke belangen die Nederland in Suriname heeft. Dat is wel begrijpelijk, want het is niet in het Surinaamse belang om te denken dat Nederland daar geen harde belangen heeft. Een van de veteranen van de onafhankelijkheid, Fred Derby, bezwoor op de eerdergenoemde bijeenkomst: “Nederland heeft belangen in dit land. Ze bouwen een nieuwe ambassade met 123 kamers en niemand gaat mij vertellen dat er geen belangen door die kamers heengaan!”

Het ontbreken van scherp omschreven belangen in Suriname maakt Nederland onberekenbaar in Surinaamse ogen. Economische of militaire real-politiek is berekenbaar, maar het fragiele geheel van historische, morele, culturele en familiale betrekkingen tussen beide landen is veel moeilijker grijpbaar en leidt aan Surinaamse kant tot niet-aflatende speculaties over de 'verborgen agenda' van Nederland. In Suriname weet men zich geen raad met Nederland als zachte dekolonisator.

Ook al zijn er minder economische of veiligheidspolitieke belangen in het spel, de kluwen van historische en culturele draden die beide landen verbindt, maakt dat ze geen willekeurig buitenland voor elkaar zijn of zullen worden. Deze houding resulteert in een politiek die niet op ontvlechting, maar op vervlechting uit is en in een politiek die niet op staatkundige afhankelijkheid is gericht, maar juist de onafhankelijkheid als gegeven aanvaardt. Enkel nadruk op staatkundige zelfstandigheid schept de ruimte voor het opbouwen en onderhouden van een hecht netwerk van betrekkingen tussen Suriname en Nederland.

Het Raamverdrag dat Suriname en Nederland drie jaar geleden hebben afgesloten biedt vele mogelijkheden die beter dan nu benut kunnen worden. Oud-premier Henck Arron wees daarop, in een rede die verder doortrokken was van kritiek op Nederland: “Het is mijn vaste overtuiging dat het Raamverdrag meer inhoudt dan een Gemenebest-relatie”. Er zou gestreefd kunnen worden naar een mozaïek van betrekkingen, niet alleen tussen de regeringen maar vooral tussen de samenlevingen. Dat vraagt allereerst om een versterking van het personenverkeer, zonder opnieuw, zoals in de jaren 1975/1980, een migratiegolf uit te lokken. Gestreefd moet worden naar een geheel van duurzame maatschappelijke verbindingen in sectoren als gezondheidszorg, onderwijs, media, wetenschap, rechtspraak; betrekkingen die zo veel mogelijk bijdragen tot de broodnodige politieke stabiliteit in Suriname. De aanstaande verkiezingen zullen mede bepalen opzo'n programma kans van slagen heeft.

Het denken over Surinaams-Nederlandse betrekkingen is te zeer doortrokken van het verlangen om alle dubbele bodems te slopen, om eenduidige verhoudingen te scheppen. Er is eenvoudigweg te veel Suriname in Nederland en te veel Nederland in Suriname om elkaar als een willekeurig buitenland te kunnen beschouwen. Van die nood zouden we een deugd kunnen maken, in de wetenschap dat de schaduw van het recente en minder recente verleden heel zwaar is.

Een indrukwekkend hoogtepunt van alle bijeenkomsten in Paramaribo de afgelopen week vormde de 'multi-religieuze' dienst ter nagedachtenis aan de vijftien slachtoffers van de 8-decembermoorden. Op de binnenplaats van Fort Zeelandia hing de vlag halfstok en daaromheen zaten een kleine driehonderd mensen, onder wie veel nabestaanden. Het fort lijkt met zijn kleine zeventiende eeuwse gebouwen en zijn stille binnenplaats meer op een hofje in Delft of Leiden. Deze lieflijke entourage maakt in een klap duidelijk waarom de gruweldaden van december 1982 de kleine Surinaamse gemeenschap uit het lood hebben geslagen.

Alle religies die Suriname kent waren door geestelijke leiders vertegenwoordigd en ieder reinigde op zijn eigen manier het gebouw van de zonden die daar zijn begaan. En toen sprak Henri Behr, de broer van een van de slachtoffers. Recht in het gezicht van president Venetiaan, sprak hij moedige woorden: “Suriname, wanneer verschonen wij onszelf? Zijn we niet onderweg te verworden tot een land en volk zonder beschaving, die de daders van mensenrechtenschendingen niet kunnen of willen identificeren? Zijn we niet een land dat feitelijk dreigt te capituleren voor een groep criminelen?” Dat is een vraag die ook in Den Haag voor aanzienlijke onrust zorgt.