De duurste en de beste kunstenaars

In veel kunstvormen koesteren critici en kunstenaars al jaren de hobby om lijsten op te stellen van de beste werken die zo'n discipline heeft voortgebracht.

In de filmwereld geldt Citizen Kane al jaren als de Beste Film Aller Tijden; in de popmuziek gaat de strijd meestal tussen de Beatles en de Velvet Underground en ook in de literatuur publiceren critici aan het einde van het jaar gretig hun lijstje met favoriete boeken. In de beeldende kunst is zoiets echter nog steeds een taboe. Geen criticus of directeur die zich eraan waagt om te zeggen dat de nieuwste schilderijen van On Kawara beter zijn dan die van Karel Appel, of dat Lawrence Weiner een groter kunstenaar is dan Jeff Koons. Zelfs over de invloedrijkste kunstenaar van deze eeuw laat niemand zich uit. Is het Picasso? Duchamp? Beuys? Mondriaan? Of toch Warhol?

Dat de enige uitzondering op die regel komt van een economisch tijdschrift hoeft dan ook geen verrassing te zijn. Met beeldende kunst is geld te verdienen, veel geld, en dat is voor het Duitse tijdschrift Capital reden genoeg dat taboe te doorbreken en zijn lezers onder het motto 'Kunst = Kapital' jaarlijks van de ontwikkelingen op de kunstmarkt op de hoogte te houden. Al 25 jaar publiceert het blad het 'Kunst Kompass', een top honderd van de 'grootste' levende kunstenaars, en die lijst geldt als een redelijk goede afspiegeling van de populariteit van levende beeldende kunstenaars. Die reputatie verwierf het 'Kompass' doordat de lijst wordt samengesteld op basis van een ingenieus systeem van lijsten van groepstentoonstellingen, musea en kunsttijdschriften, die in verschillende categorieën van importantie zijn ingedeeld. Hoe belangrijker het museum of het tijdschrift en hoe groter de tentoonstelling of het artikel over de kunstenaar, des te meer punten vergaart hij. Op de lijst van musea staan in de hoogste categorie onder andere het Stedelijk Museum in Amsterdam, de Tate Gallery in Londen en het MoMA in New York. Op de lijst van tijdschriften staan onder andere Art in America, Flash Art en Kunstforum. Op grond van die criteria komt Capital dit jaar tot de volgende top tien van 'grootste' levende kunstenaars: 1. Bruce Nauman (53), USA

2. Gerhard Richter (63), Dl.

3. Sigmar Polke (54), Dl.

4. Georg Baselitz (57), Dl.

5. Christian Boltanski (51), Fr.

6. Mike Kelley (41), USA

7. Nam June Paik (63), Kor.

8. Ilja Kabakov (62), GOS.

9. Rosemarie Trockel (42), Dl.

10. Günther Förg (43), Dl. De top tien verschilt daarmee maar weinig van die van vorig jaar. De top vier is zelfs precies hetzelfde gebleven; Mike Kelley (vorig jaar nog 14) is de enige nieuwkomer in de top tien. Opvallend is wel dat, als we Capital mogen geloven, Bruce Nauman verreweg de belangrijkste levende kunstenaar is, van de categorie Duchamp, Picasso en Warhol. Zijn voorsprong op Gerhard Richter is 6410 punten, wat vooral veel is als je het vergelijkt met het puntenverschil tussen Richter en Förg, de nummer tien; dat bedraagt slechts 3765 punten.

Omdat Capital in de eerste plaats een economisch tijdschrift is, geeft het blad ook een indicatie van de prijs van het werk van de verschillende kunstenaars. Daarnaast wordt zelfs een 'koopadvies' verstrekt: op grond van de prijs-puntenverhouding geeft het blad aan of de prijs van het werk van een kunstenaar 'sehr günstig', 'preisgerecht' of 'teuer' is. Uit die lijst blijkt dat de Amerikaanse kunstenaar Jasper Johns (65 jaar, 27 in de lijst) verreweg de hoogste prijzen voor zijn werk vraagt. Een schilderij van 'mittleres Format' van zijn hand moet gemiddeld 1.625.000 D-mark opbrengen, wat zelfs Capital als 'sehr teuer' omschrijft. De duurste kunstenaars zijn allemaal oudere Amerikanen: een 'gemiddelde' Roy Lichtenstein (18) komt volgens Capital op 500.000 D-mark, een Elsworth Kelly (45) op 480.000 D-mark, terwijl voor een gemiddelde Brice Marden (61 op de lijst) precies één miljoen D-mark neergeteld dient te worden. In hoeverre deze prijzen erg betrouwbaar zijn, is overigens wel de vraag. Een Bruce Nauman van 'gemiddeld formaat' wordt door Capital bijvoorbeeld op zo'n 140.000 D-mark geschat, en dat is wel erg veel minder dan de 700.000 gulden die het Amsterdamse Stedelijk Museum voor Naumans Seven figures betaalde.

Behalve een indicatie voor de populariteit van kunstenaars, is de Capital-lijst ook een redelijke afspiegeling voor waardering van stromingen uit het verleden. Zo valt uit de lijst van dit jaar af te leiden dat Pop-art nog steeds goed in de markt ligt (Robert Rauschenberg staat op 14, Roy Lichtenstein op 18 en Claes Oldenburg op 26), dat vroege minimal en conceptual het ook goed doen (Lawrence Weiner staat op 22, Daniel Buren op 23, Sol LeWitt op 28 en Dan Flavin op 75) terwijl de populaire 'jongeren' uit het begin van de jaren tachtig snel terrein verliezen. Van de Italiaanse 'Transavantguardia' is alleen Clemente nog terug te vinden op 33; de Mullheimer Freiheit is nog slechts vertegenwoordigd door Jiri Georg Dokoupil (op 82) terwijl de Amerikaanse hype-schilder David Salle al helemaal van de lijst is verdwenen.

Nederlandse kunstenaars zijn op de Capital-lijst nooit erg goed bedeeld geweest; zelden was er meer dan één vertegenwoordigd. Jan Dibbets stond er een tijdje op en ook Rob Scholte mocht een paar jaar met een notering pronken (wat hij in zijn How to star-catalogus dan ook onmiddellijk deed). Dit jaar is er, na jaren van afwezigheid, voor het eerst weer eentje binnengedrongen: op 72 staat Marlene Dumas, net voor internationale sterren als Bill Viola (73) en David Hockney (74).

Wie z'n kunstkapitaal echter het allerbeste wil beleggen moet z'n geld niet in levende toppers als Nauman, Richter of Polke steken, maar kan volgens Capital uiteindelijk het allerbeste in Joseph Beuys investeren. De vilt- en vetkunstenaar mag dan in 1986 zijn overleden en dus officieel niet meer meedoen met de top honderd, hij haalt ieder jaar nog zoveel punten dat hij bij leven zonder concurrentie op nummer één zou komen.