Bruno Walter

Bruno Walter: The Edition (3 delen, elk 10 cd) Sony

Zojuist kwam het derde deel uit van de Bruno Walter Edition, die Sony wijdt aan deze grote dirigent, die een toonbeeld van menselijkheid, hoffelijkheid en integriteit was. Dat hoort men niet alleen aan zijn veelal milde en evenwichtige wijze van musiceren, maar blijkt ook uit de opnamen, waarop men hem hoort repeteren met het voortreffelijke Columbia Symphony Orchestra: de Symfonie nr 36 ('Linzer') van Mozart, Beethoven-symfonieën, Wagners Siegfried Idyll en Mahlers Negende symfonie. Het zijn documenten van enorme waarde: ze laten niet alleen horen hoe vriendelijk en tegelijk veeleisend en vasthoudend Walter was, maar ook hoe hij streefde naar een combinatie van exactheid en zangerige lyriek. “Sing out!” roept hij vaak, als hij al niet zelf hele passages voorzingt.

Zó vlekkeloos is Walters imago dat de venijnige en harteloze Norman Lebrecht in zijn boek De mythe van de maestro die wel moest bezoedelen. Hij onthulde dat Walter niet alleen gierig was en promiscu, maar ook dat Schönberg hem “een varken” vond. De antipathie tussen Walter en Schönberg was wederzijds: Walter moest niets hebben van de Schönberg van na Verklärte Nacht en verafschuwde dodekafonie, atonaliteit en serialiteit.

De in Berlijn geboren joodse Bruno Walter Schlesinger (1876-1962) werd geprotegeerd door Gustav Mahler, wiens assistent hij werd bij de Weense Opera. Walter logeerde 's zomers wel bij Mahler en beroemd is diens uitspraak tegen Walter, toen hij hem aan de Attersee afhaalde van de boot dat hij niet naar dat Höllegebirge hoefde te kijken: “Dat heb ik helemaal weggecomponeerd.” Na de dood van Mahler in 1911 dirigeerde hij de premières van zijn nagelaten werk: Das Lied von der Erde en de Negende symfonie en werd zo naast Mengelberg en Klemperer in interpretatief opzicht een gezaghebbend Mahler-erfgenaam.

Walters beroemdste opname - Das Lied von der Erde met Julius Patzak en Kathleen Ferrier, in Wenen gemaakt in de vroege jaren '50 - bevindt zich niet in deze op CBS-opnamen gebaseerde editie: die werd voor Decca gemaakt. De in deze editie aanwezige heel respectabele opname van Das Lied met de New York Philharmonic, Ernst Haefliger en Mildred Miller (1960) laat ook horen hoe de opnametechniek intussen was verbeterd: meer ruimte en diepte en meer reliëf en expressie in de klank.

Walter, die zijn eerste opname (delen uit Carmen) maakte in 1900, was voor het overige vooral de dirigent van het klassieke werk en dat klinkt bij hem eerlijk en onaangedikt met veel aandacht voor de ritmiek in begeleidingsfiguren (bijv. de Pastorale van Beethoven) en veel klaarheid, evengoed in Mozart, Schubert, Bruckner en Brahms als in Wagner. De Walter Editie biedt overweldigend veel schoons en verheffends met tal van legendarische solisten, zoals Irmgard Seefried, George London, Desi Halban, Zino Francescatti, Nathan Milstein en Pierre Fournier.

Onbegrijpelijk is het dat Walter, van 1934 tot 1939 'tweede eerste dirigent' van het Concertgebouworkest, niet wordt geëerd met een portret in de Dirigentenfoyer van het Concertgebouw.