WINTERSE CLAFOUTIS

Traditioneel wordt een clafoutis met kersen gemaakt. Andere verse vruchten kunnen natuurlijk ook worden gebruikt voor deze Franse vruchten-flan, mits ze niet te veel sap afgeven, waardoor de flan niet goed stolt.

Met verse abrikozen heb ik bijvoorbeeld nooit een goede clafoutis kunnen maken; de punten flan vielen uit elkaar bij het serveren. Met gedroogde en geweekte abrikozen lukt een clafoutis echter wel. Teneinde de abrikozen hun zomerse frisheid terug te geven, wordt wat citroensap aan het weekwater toegevoegd. Dat kleine beetje zuur doet wonderen voor die al te zoete gedroogde abrikozen. Voor een vuurvaste schaal van 24 centimeter doorsnede:

100 gram gedroogde hele abrikozen (Turkse/Marokkaanse winkels)

sap van halve citroen

3 deciliter volle melk

25 gram boter

60 gram bloem

100 gram suiker

snufje zout

2 grote eieren

1 eierdooier

geraspte schil van halve citroen

2-3 eetlepels fijne tafelsuiker

Bedek de abrikozen met 3 deciliter koud water en voeg het citroensap toe. Week de vruchten ruim 12 uur tot ze hun oorspronkelijke vorm hebben teruggekregen. Laat ze uitlekken in een bolzeef. Halveer de abrikozen langs de overlangse naad. Vet de vuurvaste schaal dun met boter in. Leg de uitgelekte vruchthelften (bolle kant boven) in concentrische cirkels in de schaal. Breng de melk aan de kook, neem de pan van het vuur en laat de boter in de hete melk smelten. Vermeng bloem, suiker en zout in een ruime kom. Roer er een voor een de eieren en de eierdooier door, voeg de geraspte citroenschil toe en leng het mengsel al roerend aan met de iets afgekoelde melk. Giet het beslag langzaam over de abrikozen. Bak de clafoutis 45 minuten in het midden van een voorverwarmde (200 graden Celsius) oven, of tot het beslag gestold is (een metalen spiesje moet er schoon in en uit gaan). Bestrooi de clafoutis direct met de fijne tafelsuiker. Echte smulpapen eten deze winterse clafoutis met een frisse abrikozencoulis. Het recept daarvoor volgt spoedig.