Werkman-jaar is voorbij, maar het raadsel blijft

Tentoonstelling: Uit innerlijke noodzaak geboren. Hendrik N. Werkman 1882-1945. T/m 14 jan. Di t/m zo 10-17u. Gesloten op eerste kerstdag en 1 jan. Later in Breda.

Aan het einde van het in Groningen uitgeroepen Werkman-jaar - na de opera, na het verschijnen van talrijke boeken waaronder een overdruk van het eenmanstijdschrift 'The Next Call' - is het belangrijkste onderdeel van het jubeljaar dan nu een feit: de grote overzichtstentoonstelling in het Groninger Museum. In een aantal zalen, verbonden door houten poortjes van het architektenbureau A.S.S., waarvan mij de strekking is ontgaan, is het mogelijk de ontwikkeling van de Groninger avantgardist te volgen: van het abstracte grafische werk in de jaren twintig tot de latere, meestal figuratieve, met sjablonen en stempels vervaardigde en opvallend kleurige voorstellingen die Werkman zelf zijn 'druksels' noemde. Enkele olieverfschilderijen en wat kunstzinnig uitgevallen drukwerk - uit Werkmans eigen, commercieel niet zeer succesvolle drukkerij - completeren de expositie. De enige echte omissie zijn de kunstwerken die hij in de jaren twintig op de schrijfmachine vervaardigde.

Werkman, die kort voor het einde van de oorlog door de bezettingsautoriteiten in Groningen is opgepakt en doodgeschoten, blijft ook bij het zien van zo veel werk van hem zowel een sympathieke als een beetje raadselachtige figuur. Net ben je als toeschouwer tot de conclusie gekomen dat hij, met zijn vrolijke series 'druksels' als Vrouweneiland uit 1942, dat reminiscenties aan Gauguin wekt, duidelijk als een escapist kan worden beschouwd, of er duiken 'druksels' op met een meer politieke strekking. Zoals Gijzelaarskamp St. Michielsgestel (1942) en het merkwaardige Impression of Edgar Allen Poe 1 met raketten uit 1944, waarop twee kanonskogels te zien zijn die kennelijk Duitse V-1-raketten moeten verbeelden.

Men kan zich achteraf de verwarring wel voorstellen waarin de 'foute' politiemensen verkeerden die hem in 1945 oppakten: Werkman was geen verzetsman, maar hij drukte en ontwierp wel het ondergrondse tijdschrift 'De Blauwe Schuit'; hij was geen jood, maar wierp zich met de serie Chassidische legenden (1941) op de joodse mythologie. Zoals domme mensen betaamt, hebben die politieagenten voor de zekerheid van de kogel gekozen, zoals Gerrard Verhage onlangs heeft laten zien in zijn mooie Werkman-film Ik ga naar Tahiti.

Maar ook onder Werkmans vrienden bestond aanvankelijk verwarring, zo blijkt uit de fraai uitgevoerde catalogus. In een uit de catalogus van de eerste overzichtstentoonstelling (1945) overgenomen artikel van Hendrik de Vries, blijkt dat hij toen nog vooral als schilder werd gewaardeerd. Grafiek werd in het algemeen als iets tweederangs gezien.

Het is vermoedelijk een regionaal en historisch vooroordeel, maar mij verrast het dat een burgerheer-handelsdrukker als Werkman, wonend in een Nederlandse provinciestad, in de jaren twintig en dertig zo goed op de hoogte was van de internationale avant-garde in grafiek en beeldende kunst. Men had zich een tentoonstelling kunnen voorstellen waarin iets van deze verbanden tussen de Groningse en internationale kunstwereld duidelijk werden gemaakt, maar zo'n expositie is het in Groningen niet geworden. Een serieus bezwaar is dat nauwelijks: dat Werkman zich heeft ontwikkeld tot een hoogst eigenzinnig kunstenaar, wiens werk vijftig jaar na zijn dood nog fascineert, wordt in Groningen overduidelijk.